Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lot nog grooter maken". „Ziet toe, wordt niet verschrikt, want al die dingen moeten geschieden."

Daar is in onze dagen een machtige beweging voor den vrede op aarde. Denkt slechts aan den bond voor den wereldvrede, aan de gehouden vredesconferentie's, aan de stichting van het monumentale vredespaleis.

Wij hebben ons, als christenen, niet aan deze dingen te onttrekken, maar wij mogen niet vergeten, dat zij de oorzaak van den oorlog, de zonde, niet kunnen wegnemen. Oorlogen zullen er blijven tot aan het einde der dagen. Dan eerst zullen de zwaarden worden geslagen tot spaden, en de spiesen tot sikkelen, en dan zal het ééne volk tegen het andere volk geen zwaard opheffen, en zij zullen geen oorlog meer leeren.

Maar wat een zegen dat, zoolang deze bedeeling duurt, de God des vredes over de oorlogen regeert!

Hij laat ons in dezen oorlog zien de machteloosheid der groote mogendheden, die meenden den wereldvrede te kunnen vastleggen in politieke combinatie's, wier grondslag niet was het recht, maar de macht!

„Hij geett ons in deze wereldcrisis te zien de armoede van hen die op geld en goed hun betrouwen stellen. Daar zullen, in deze bange tijden, velen van hun hooge tronen worden afgestooten, waarop zij zich veilig waanden. God geve, dat zij komen mogen in de diepte, waarin Hij armen zondaren de bede leert opzenden: „Zoo Gij, Heere! de ongerechtigheden gadeslaat, Heere, wie zal bestaan?"

„Maar bij U is vergeving, opdat Gij gevreesd wordt".

Wij staan in deze dagen voor één van de teekenen, die aan de wederkomst van Christus voorafgaan.

In hun zondigen hartstocht grepen de machtigen der aarde, onder het vaandel van het Imperialisme, naar de opperheerschappij. In hun dwaze zelfverblinding meenden de volkeren, dat zij onder het schild van Mammon veilig waren. Men had niets te vreezen.

Maar d'Opperheer, die Zijn geduchten stoel

Op starren sticht, en grondvest op de wolken,

Zal lachen met dat vruchteloos gewoel,

En spotten met den waan der dwaze volken.

God zal zijn wraak ontdekken voor hun oogen;

Straks gloeit de lucht door 't vlammend bliksemlicht; 't Is God die spreekt; Hij dondert uit den hooge,

En jaagt den schrik Zijn haat'ren in 't gezicht."

IV. Welk een ernstige roepstem er door dit teeken tot ons komt.

De oorlogen en geruchten van oorlogen dragen voor het volk, dat bij het Woord des Heeren leeft, een eigen karakter. Deze dingen drukken voor hen het zegel op „Gods Getuigenis, dat eeuwig zeker is, en slechten wijsheid leert".

Sluiten