Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

volgens de nieuwste onderzoekingen, een diepgaanden invloed zou gehad hebben op alle ons bekende texttypen.

Kukula ziet in Tatianus' „Rede tot de Hellenen" eene inaugureele oratie, uitgesproken omstreeks 172 bij de opening van zijn diöaaxcihïni>, hetzij te Antiochië of te Edessa. Met dit gevoelen kan ik mij niet geheel vereenigen. Wij danken, m.i., dit geschrift aan een leerling, die — evenals b.v. Philtppus, de leerling van Bardesanes, diens betoog over de HfiaQixfvrj en hare grenzen heeft opgeteekend en bewaard — de stof van eenige voordrachten op vrij uiterlijke wijze tot een geheel heeft verwerkt.

De slappe compositie, het verschil in toon, het bestaan van vrijwel afgeronde stukken binnen het geheel en de merkwaardige herhalingen en uitwijdingen worden, m. i., op deze wijze verklaarbaar. De zeer individueele stijl van verscheiden stukken geeft ons echter weer vertrouwen, dat deze leerling uitvoerige en betrouwbare aanteekeningen bezat. Had Tatianus het stuk zelf uitgegeven, dan zou hij, bij de bekende zorgvuldigheid, waarmede men in de Oudheid zulke oraties bewerkte, zelfs wanneer men den schijn van losheid en ongedwongen toon wilde aannemen, ongetwijfeld daaraan meerdere zorg hebben besteed.

Dat hij een man van beteekenis is geweest, blijkt ook hieruit, dat Clemens Alexandrinus hem als leermeester erkent en zijne oratie herhaaldelijk citeert. Eusebius vermeldt zijn geschrift als de „beroemde rede tot de Hellenen" (H. E. IV, 29, 7), hoewel hij meer belang schijnt te stellen in zijn chronologisch materiaal, dat aan het einde der oratie wordt aangevoerd, dan in de theologische gedachten, waarop onze aandacht zich richt.

Tatianus mag n.1. aanspraak doen gelden op den eeretitel van te zijn de eerste in de rei der Christelijke theologen.

Hij grijpt, als kind van zijn tijd, de groote vragen van het Oriëntalisme aan en laat ze niet los, voordat hij als Christen zich ook op dit terrein een weldoordachte positie veroverd

Sluiten