Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hoofdstuk XI het Christelijk leven met de taal van een Epictetus.

Maar over de onzichtbare wereld en over de samenstelling van den mensch, is Tatianus goed ingelicht. Op dit derde punt komen wij weer in den vollen stroom van het Oriëntalisme. Hij is in het bezit van een psychologische kosmologie en omgekeerd is zijn psychologisch denken weder kosmologisch georiënteerd.

Wij kunnen niet beter doen dan hemzelven aan het woord te laten: (XV*) „De menschelijke psyche dan is een samengestelde grootheid en niet een eenheid. Want zij is zoo samengesteld als men door (de samenstelling van) het lichaam waarnemen kan 8 de mensch is niet „een redelijk dier, vatbaar

voor verstand en wetenschap", zooals de ravenkrassers — aldus noemt hij de populaire philosophenx) — beweren. Volgens hun leer zal het bewijs geleverd worden, dat ook de redelooze dieren „vatbaar zijn voor verstand en wetenschap".

Het is merkwaardig, hoe Tatianus hier theoriën en waarnemingen onzer dagen anticipeert.

„De mensch alleen is een „beeld en gelijkenis Gods". Ik noem als „mensch" niet het (gewone) wezen, dat niets anders doet dan de dieren, maar dengene, die ver voorbij de z. g. menschennatuur tot God zelf is genaderd".

Blijkbaar ziet dus Tatianus den adel van den mensch niet in zijn logisch redeneervermogen, maar in iets anders. Ook werkt hier de CHRisTus-gedachte op de Logos-voorstelling in. Omdat Jezus de Christus was, aan wien men de functiën, die de Logos in het Oriëntalisme vervulde, ging toeschrijven, kwam er in dezen Logos een onlogisch element, iets van de Israëlitische heiligheidsgedachte, iets persoonlijks. Doch dit verzwakte de pressie niet, die deze voorstelling in de richting der ascese bleef oefenen.

Tatianus zelf heeft b. v. het huwelijk verworpen en is ten

') Cf. III, 9 : „beoefenaars der krijsch- en niet der wijsbegeerte."

Sluiten