Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijn zwarte vlerken over Jeruzalems bergen uit. Maar Jeruzalem kon niet slapen. De bidders binnen zijn muren waakten in fcet gebed. Wat zou de volgende morgen brengen?

Daar schiet de dagvorstinne beur gulden stralen over de Heilige stad. De wachters van de muren laten hun oog over het 'Assyrisch legerkamp weiden, en — ze blazen op de vreugdebazuin! Bij duizenden beklimt men de wallen en men roept het elkander toe: *

„God heeft bij ons wat groots verricht!

Hij zelf heeft onzen druk verlicht!

Hij heeft door wond'ren ons bevrijd!

Dies juichen wij en zijn verblijd!"

„Komt en aanschouwt de daden des Heeren!" Gij weet, wat er geschied was: de Engel des Heeren had voor Israël gestreden, en zij mochten stille zijn; 185000 lagen er geveld, en de overigen waren al sidderende gevlucht.

Dat vervult Israël met vreugde, want het was een gedenkteeken van Jehovali's Almacht, maar ook van Zijn genade, en van Zijn gebedsverbooring. En nu is er een gewijde zanger, die dit heuglijk feit wil bezingen in zijn lied. Velen meenen, dat het Jesaja zal geweest zijn. En als wij den stijl van Psalm 46 vergelijken met de dichterlijke gedeelten zijner profetie, zijn we geneigd, die meening te deelen. Doch, wie het ook geweest zij, dit is zeker: de Heilige Geest tokkelde dit lied in bet hart van den vromen zanger, en weldra stond het volk in het Heiligdom, om den Heere te danken; en hoort, daar ruischt bij trommelen, luiten en harpen het lied: „God is ons een Toevlucht en Sterkte, Hij is krachtiglijk bevonden een Hulp in benauwdheden."

„God is ons een Toevlucht en Sterkte" — zoo vangt de Psalmist aan. Hoe Godverheerlijkend, Gel.! Niet: onze koning, of: onze wapenen, onze dapperheid, onze legerscharen, of ook niet: onze wijsheid, onze muren en poorten, gelijk eens de Jebusieten d&&rvan hun heil verwachten; ja ook niet: ons gebed, hoezeer het ook bet door God verordineerde middel is. Neen: God en Hij alleen! Dat is het kenmerk van het rechte danklied, gelijk van het ware smeekgebed, dat God is het begin, het midden en het einde. O, kent ge daarvan ook iets door genade, gij, die onder de rijen Israëls u schaart? Iets van dè-t smeeken en van dien

Sluiten