Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Schleiermacher dan volgde, gelijk gezegd, een anderen, hoewel eveneens menschelijken weg.

Hij verminderde den afstand tusschen „ware" en massakerk, ja nam hem weg. Hij smolt de twee zóó samen, dat de eerste toch als een kern in de tweede werkzaam bleef; de „ware" kerk zou in de andere godsdienstige kracht „uitstralen", als een zout, als een zuurdeeg werkzaam zijn.

Overigens zou alles heel vrij ingericht zijn. Een groote mate van verdraagzaamheid zou er heerschen. In edelen wedijver zou men naast elkander voortleven. Niemand zou den ander om zijn belijdenis veroordeelen; integendeel, er zou in deze schoone waardeering zijn; alle denkwijzen zouden geduld worden. Niemand zou voor zich de absolute waarheid opeischen. Een ieder zou zich zijn eigen belijdenis dieper indenken, en deze alzoo verhelderen, in vast geloof aan de eindelijke zegepraal van het Christendom, dat wil zeggen, van het zich openbarend godsdienstig leven van Jezus. Dit leven kiest zich voor eiken tijd den eigen gepasten kerkelijken vorm.

De leeraars zouden hoogstaande mannen zijn, die uit innerlijken drang, niet ook om een bestaan te vinden, zich tot den arbeid in de kerk begaven. De terugkeer in het gewone leven zou gemakkelijk moeten zijn, opdat men niet gedwongen in de kerk bleve.

Ook moesten zij uitstekend worden toegerust met kennis en wetenschap; zeer ontwikkelde en beschaafde mannen moesten zij zijn, mannen van wie kracht uitging, die prestige uitoefenden. Zij zouden de geloofsleer moeten kennen, om daardoor vaardig te zijn in den dienst der prediking. Het volk behoefde met deze kennis niet vermoeid te worden; zij was toch ongenietbaar voor hen. Zij had, gelijk wij zeiden, toch vooral een technisch doel.

De prediking diende, om aan de gemeente een duidelijke voorstelling te geven van den in haar heerschenden Geest van Christus, om haar en den prediker zeiven tot zijne hoogte op te heffen.

Het dogma was de tijdelijke uitdrukking van het naar zijn

Sluiten