Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

genadeverbond zoo ruim mogelijk opvatten, doch tevens waarborg hebben, dat de gedoopte kinderen in de Christelijke leer zouden worden opgevoed. Het ging erom om het volk als volk bij het Christelijk geloof te bewaren, doch om tevens den geestelijken grondslag van het genadeverbond niet los te laten. De Schriftuurlijke Volkskerkgedachte was het ideaal, dat deze mannen bezielde ').

Met deze Volkskerkgedachte staat in verband de taak der Christelijke overheid, zooals zij ons in art. 86 der Nederlandsche Geloofsbelijdenis wordt geteekend. Deze Christelijke overheid komt geheel overeen met wat ons van de koningen van Israël wordt bericht. Evenals een Hiskia en een Josia in hunne dagen de Joodsche Kerk reformeerden, zoo worden ook nu de overheden opgeroepen „het rijk van den Antichrist te gronde te werpen en het Koninkrijk van Jezus Christus te bevorderen"' Ook moeten zij „het Woord des evangelies overal doen prediken, opdat God van een iegelijk geëerd en gediend worde, gelijk Hij in Zijn Woord gebiedt".

Ook hierbij wordt dus het volk als volk in het oog gevat. Men laat het ideaal geen oogenblik zinken. Ook al mag de overheid nimmer dwingend optreden, maar

1) Toch dreef men dit niet zoo ver, dat men de leer van een zoogenaamd „Sinaïetisch volksverbond" op de Christelijke volken zou hebben overgebracht, zoodat een kind bv. in Nederland reeds zou zijn gedoopt enkel op grond hiervan, dat het uit het Nederlandsche volk gesproten was. Integendeel, zij hielden staande (tegenover de Wederdoopers, die zulk een „Sinaïetisch volksverbond" leerden), dat zelfs onder Israël een „volksverbond" in dien zin nooit had bestaan, aangezien dan voor den geestelijken grondslag des verbonds (het genadeverbond met Abraham) een natuurlijke grondslag (het geboren worden uit Israël) zou zijn in de plaats gesteld. Zij hielden dus ook voor den doop vast aan den grondslag van het genadeverbond en motiveerden hunne ruime doopspraktijk steeds hiermede : „deze kinderen zijn niet buiten het verbond, zij behooren nog tot de bondgenooten (foederati)". Vg. hierover de bestrijding van Dr. 11. H. Kuyper's Hamabdil door J. W. Verschoor in den vorigen jaargang van dit tijdschrift onder den titel: „De Kerk als Volkskerk of de profetische roeping der Kerk in het midden der volken." Vg. ook de uitdrukking in Calvijn's boven geciteerden brief: rhet lichaam der Kerk' .

Sluiten