Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Leerrede over 2 Corinthe 3 : 6b.

Zingen: Psalm 144:2.

Lezen : 2 Cor. 3.

Zingen : Psalm 19 : 4.

Voorafspraak: Psalm 88:11a. Zult Gij wonder doen aan de dooden ?

Ziedaar, mijne hoorders, een woord van ingrijpenden aard. Want immers, deze woorden geven ons te kennen, dat er dooden moeten zijn. Welk een huivering bevangt het hart, wanneer daaraan door een levend schepsel wordt gedacht! Immers al wat leeft beeft er van en strijdt tegen dien vijand. Maar nog aangrijpender is het woord van dien man, als we letten welke schepselen hij op het oog heeft. O, dan zou wel schaamte ons aangezicht moeten bedekken, en ons in 't stof doen nederbukken voor God onzen Maker, want de schepselen die hij bedoelt zijn zij, die het leven in hun hand hadden en dat ook konden bewaren; immers, degenen die hij op het oog heeft zijn menschen, van wie de Godsspraak aldus luidt: „Laat ons menschen maken naar Ons beeld en naar Onze gelijkenis." Want toch, God versierde dien mensch met kennis, gerechtigheid en heiligheid, en met krachten en gaven, om dit te kunnen bewaren. En onder beding van volkomen gehoorzaamheid aan God zijn Maker zou hij eeuwig leven en dus onsterflijk zijn. Nog eens: is het dan niet hartontroerend, deze woorden te hooren ?

O, hoe menigmaal wandelt de mensch langs en over den doodenakker, dat hij er niet eens op let! De naam van dezen man is Heman, een Ezrathiet en beteekent „getrouw." Het zal niet overbodig zijn, als wij deze zijne woorden een getrouwe vermaning heeten, die hij door het licht des H. Geestes ook voor een navolgend geslacht heeft mogen neerschrijven, want hij aanschouwt hier de bezoldiging der

Sluiten