Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

als de wind des Geestes daarin blaast, verdwijnt het.

Laten wij dus wat nader bezien wie er tusschen deze geestelijke schijven komen, en letten op

Het verzegelde woord Zijner almacht. De Heere vergelijkt zich betreffende Zijn almacht en vrijmacht bij dezen pottenbakker, en Israël, Zijn verbondsvolk, bij het leem. Het is dus een verzegeld woord Zijner almacht. Vraagt men naar de zegels, welaan, luister dan, wie er en hoe zij tusschen die schijven bearbeid worden. We wijzen u slechts op Ruth, de Moabietische, hoe zij er tusschen bearbeid wordt, en men hoort een Gode welbehaaglijke keuze uit haren mond, zooals het recht is in de oogen des Heeren. Zij is als leem, dat door den Pottenbakker verwerkt wordt. Leem is oorspronkelijk aarde, waaruit ook de mensch zijn oorsprong heeft, Zij, die afgaan in het werkhuis van een drieëenig God, leeren daar iets van bij aan- en voortgang. Tusschen die schijven van wet en getuigenis bewondert een Ruth op het veld van Boaz de kennis van Boaz, en erkent hare vreemdelingschap, als zij uitroept: Hoe kent ge mij, daar ik een vreemde ben en niet van uwe maagden! Zoo erkent ook Gods volk hun vervreemding van het leven Gods. Wanneer zij door de hand des Heeren bearbeid worden tusschen de schijven van wet en getuigenis, belijden zij hunne zonde en ongerechtigheid, hun diep bederf en klagen, met hun buik aan het stof te kleven, in één woord: uit de aarde aardsch te zijn. In het huis des pottenbakkers ligt modderig slijk, maar Gods volk erkent door ontdekkend licht en werk des H. Geestes, dat hun hart modder en slijk opwerpt, ja dat zij gezonken zijn in een poel van modder en slijk.

Tusschen deze schijven wordt de vorm er aangebracht, zoodat zij Gods deugden gaan verkondigen en vertellen, dat de Heere recht is. De pottenbakker heeft een vorm, waarin hij het vat formeert, zooals het recht is in zijn oogen. Desgelijks heeft ook een volzalig God een voorwerp, waarin Hij Zijn volk formeert, nl. in Christus, die het uitgedrukte beeld is Zijner zelfstandigheid en het afschijnsel Zijner heerlijkheid. O, als zij in dien vorm bearbeid worden, dan erkennen zij, in zichzelven van nature een ongevormde klomp te zijn. In dien vorm heeft noch besnijdenis noch voorhuid eenige kracht, om den mensch te formeeren zooals het recht is in de oogen Gods, maar een nieuw schepsel, geschapen

Sluiten