Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in Christus Jezus, of alleen het geloof,door de liefde werkende (Gal. 5: 6). In dit vat worden geestelijke gaven gestort, gelijk in een wel geformeerd vat verschillende welriekende vruchten en lekkernijen zijn en gedragen worden, evenzoo in een wedergeboren mensch: vruchten des geloofs en der bekeering waardig.

Zoo verschrikkelijk het dus voor den onbekeerde is door de almacht Gods in één oogenblik verbrijzeld te kunnen worden, zoo troostvol is het voor degenen, die door den Geest Gods bearbeid worden, en tusschen de geestelijke schijven uitroepen: O God, wees mij, zondaar, genadig, dat zij „afgaan", gerechtvaardigd in hun huis. Zij komen te weten, zoolang zij in dit aarden vat, in den tabernakel des lichaams zijn inwonende, zij uitwonende zijn in den Heere. In zoo'n vat zijn de kostelijke gaven Gods, vandaar erkennen zij, dien schat te dragen in aarden vaten, opdat de uitnemendheid der kracht Godes zij en niet uit ons (2 Cor. 4 : 7). Er is een schat in van Godskennis, van Zijn onkreukbare deugden, van Zijn heiligheid en rechtvaardigheid, waardoor zij met Jesaja uitroepen : Wee mij, want ik verga, dewijl ik een man ben van onreine lippen, en woon onder een volk dat onrein van lippen is. In dit vat, of liever in dit volk, dat door de hand des Heeren geformeerd wordt, is een schat van liefde uitgestort tot God, door een herscheppende daad des H. Geestes. De geur komt er uit en wordt genoten ; want: Die liefdegeur moet elk tot liefde nopen ; 't is als de zalf op 's Hoogepriesters hoofd (Ps. 133.) Dezen zijn als een zegel aan Zijn Woord, en getuigen met Elihu:Deadem des Almachtigen heeft mij levend gemaakt. Nog meer: er is een schat in van zelfkennis, waardoor zij belijden in Adam een verdorven vat te zijn, ja verbondsbrekers, en daardoor alle glans en sieraad verloren en met alle Adams nakomelingen tot een puinhoop geworden zijn.

Maar tusschen die schijven moeten zij ook erkennen het goede werk Gods, dat Hij aan hen begonnen is, hetwelk Hij voleindigen zal tot op den dag van Jezus Christus. Zij smeeken om genade, weenen over hunne zonden, belijden de in- en aanklevende zonde, en bidden met David, Psalm 51 :9. Ontzondig mij met hysop, en ik zal rein zijn ; wasch mij, en ik zal witter zijn dan sneeuw. Ja, daartusschen piepen zij als een zwaluw en kirren als een duif, want zij

Sluiten