Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voordoet. Weliswaar moet hij aan datgene, wat de zins tuigen onder het bereik van het aardsche bestaan waars nemen kunnen, nog dat andere toevoegen, wat het »geess tesoog« innerlijk in de aardontwikkeling aanschouwt. Maar datgene, wat tot aan het zevende levensjaar onges veer in den mensch plaats grijpt, is te begrijpen uit den omvang der krachten, die in het bereik van de aarde te vinden zijn. (Het is bijna overbodig te zeggen, dat hier* mede niet gemeend is, dat het geestesonderzoek reeds alle geheimen van die menschelijke ontwikkelingsperiode heeft onderzocht, maar alleen, dat een onderzoek van hetgeen hier gemeend is, al gaat het tot in het onbes grensde, op het wezen der aarde zal moeten gericht zijn.

Met het wisselen der tanden begint in het menschelijk leven een tweede hoofdstuk, dat tot het 14de jaar onge* veer duurt, het tijdstip, waarop de mensch tot physieke rijpheid is gekomen. Voor dit deel van het leven is de geesteswetenschap tot het inzicht gekomen, dat de loop der ontwikkeling, die zich in het physieke lichaam open= baart, niet meer verklaard kan worden uit hetgeen op de aarde zelf werkzaam is, maar uit bovenaardsche krachten, namelijk uit die, welke van denzelfden aard zijn als degene, die beschreven werden voor het leven der planten gedurende den loop van het jaar. Hetzelfde boven* aardsche geestesleven, (etherleven), dat van belang is voor de plantenwereld, werkt in de tweede levensperiode van den mensch; maar zoo, dat de ontwikkeling, die voor het plantenleven op aarde in wisselwerking met het bovenaardsche in een jaar plaats heeft, bij den mensch in ongeveer zeven jaren is afgeloopen. (Dit alles wordt niet gezegd met een mystieke zinspeling op het getal zeven, maar als resultaat van geestelijke waarnemingen). De nadruk moet er op gelegd worden, dat de krachten, die in de tweede menschelijke levensperiode werken, slechts wat hun wezen betreft gelijk zijn aan diegene, die van buiten de aarde inwerken op den groei van de planten.

Sluiten