Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Deut. 3: 8 is dit niet juist, de tweede helft van dit vers maakt klaarblijkelijk deel uit van het glosseem in vers 9—11; en wat Num. 32: 19 betreft, daar wordt de uitdrukking nader bepaald door de bijvoeging

Deut. 2: 12: „gelijk als Israël gedaan heeft aan het land zijner erfenis, hetwelk de Heere hun gegeven heeft, kan eerst na de verovering van Kanaan zijn geschreven.

Deut. 3: 11 is de verwijzing naar de sarcophaag van Og alleen verklaarbaar in de veronderstelling, dat het tijdstip, waarop ze werd geschreven, door eenige ruimte van de bedoelde historische gebeurtenissen gescheiden is.

Nu is voor deze post-Mosaïca zeer zeker tweeërlei verklaring mogelijk. Men kan ze verklaren uit eene post-Mozaïsche redactie van den geheelen Pentateuch, maar men kan ze evengoed beschouwen als post-Mozaïsche toevoegingen (glossen) of wijzigingen van eene Mozaïsche redactie van den Pentateuch.

Kr zijn echter nog andere gegevens, die het waarschijnlijker maken, dat wij aan eene post-Mozaïsche redactie te denken hebben.

In de verhalende gedeelten wordt voortdurend van Mozes gesproken in den 3en persoon. In den len persoon spreekt Mozes alleen in die gedeelten, waarin zijn woord door den verhaler in de directe rede wordt ingevoerd. Nu heeft men zich wel beroepen op de analogie van Xenophon's Anabasis en Caesar s Commentarii de Bello Gallico, maar om indruk te maken, zou men eerst moeten bewijzen, dat zulke analogieën ook in de litteratuur der Oostersche oudheid te vinden waren. Men ontvangt echter veeleer den indruk, dat daarin het „ik gaarne op den voorgrond treedt.1) Vooral in Deuteronomium, waarin zoo uit-

!) Zoo is h,et in de historische teksten, en zoo is het ook in den

codex van Chammurapi; men zie daarvan den proloog en den epiloog (Rogers, Cuneiform Parallels to the Old I estament, bldz. 398 v.v., 458 v.v.).

Sluiten