Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zou ook zulk een afschrift hebben kunnen zijn, dat door Hilkia teruggevonden was. In elk geval, het laatste woord is over deze kwestie nog wel niet gezegd.

Doch niet alleen de wetten, maar ook de historische gebeurtenissen uit den tijd van Mozes zijn ongetwijfeld, zoo al niet door Mozes zelf, dan toch door tijdgenooten, hoogst waarschijnlijk op initiatief en onder toezicht van Mozes opgeteekend. Hierin hebben we derhalve een tweede groep van bronnen te zien. Namenlijsten, getallen-opgaven enz., zooals we vinden in Num. 1: 5 v.v., 20 v.v.; 2 en 3; 4:37 v.v., of de namen der verspieders Num. 13: 4 v.v., de opgave van den buit der Midianieten Num. 31: 32 v.v., de bepaling van de grenzen des lands, en de namen dergenen, die aan de verdeeling daarvan zouden hebben mee te werken, Num. 34, zijn buiten kijf terstond opgeteekend. Van eene werkzaamheid van Mozes in deze richting wordt gewag gemaakt Ex. 17: 14; Num. 33: 2. Daarnevens toonen door hun aard, dat ze reeds vanouds als afzonderlijke bronnen hebben bestaan: het lied in Ex. 15, de vaste formule, door Mozes bij het optrekken en halt houden gebruikt, Num.10: 35,36, en andere.

Behalve de Mozaïsche bronnen zijn er zeker in den Pentateuch ook voor-Mozaïsche. Het is onmogelijk, dat heel de voorMozaïsche historie zonder bronnen zou zijn te boek gesteld. Het algemeene argument, ontleend aan het karakter van den Pentateuch als een geschiedwerk, dat over verscheidene eeuwen loopt, geldt wel voor deze periode voornamelijk. Dat de geschiedschrijving dezer periode inderdaad op contemporaire bronnen berust, bevestigt ook het getuigenis van een zoo voortreffelijk kenner der oude Oostersche cultuur-wereld als Hugo Winckler. Deze verzekert, dat de „biblischen Quellen" (hij bedoelt de door de Pentateuch-kritiek aangenomen J, E en P) „auch fiir die altere Zeit die Zustande des Landes richtig gekannt haben und durchaus nicht die Verhaltnisse der eigenen Zeit willkiirlich auf die altere übertragen, wie man vielleicht von

Sluiten