Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voor den mensch die zich in een drukke wereld zoo vaak eenzaam kan voelen, een bezit van de hoogste waarde.

De ervaring die ik hier noemde is dezelfde die te allen tijde is gevoeld en ook onder woorden gebracht.

In een geschrift dat twee eeuwen geleden (1720) veel opzien baarde in de wereld, toen pas het bestaan der Orde was bekend geworden, het Pantheïsticon van Janus Junius Eoganesius — de deïst John Toland die wel zelf geen vrijmetselaar maar die een vriend was van Anderson — en waarin die auteur een genootschap beschrijft dat hij dat der Socratici noemt en dat vooral te Cosmopolis (Londen?) zijn zetel heeft opgeslagen maar dat volgens hem ook reeds in andere groote steden, te Parijs, Venetië, Amsterdam en Rome bestaat, schrijft hij: „ze bekommeren zich niet om den lof of den smaad van anderen; ze leven tevreden met hun lot naar hun eigen beste weten en niet naar den wil van anderen; ze streven er naar hun geest te verrijken door deugd, hun hoofd door wetenschap, om des te beter van nut te kunnen zijn voor zich zelf, hun vrienden en alle menschen, opdat zij des te beter tot dien graad van volmaaktheid kunnen komen (ook al bereiken zij dien wellicht nimmer) welken zij zich voorstellen als hun ideaal en waarnaar hun begeerte zich uitstrekt. De dwalenden zullen ze niet verachten, zoolang hun meeningen en gedragingen niet slecht en verachtelijk zijn. Toonen ze zich welwillend, dan wijzen zij hun den goeden weg; willen ze dien niet volgen, dan zullen ze daarom niet hen mijden".

Bij de rouwloge, die na het overlijden van den dichter W^ieland door de loge Am al ia te Weimar werd gehouden, sprak Goethe de herdenkingsrede uit en zei hij onder meer het volgende: „Ja als deze zoo lang reeds bestaande en in den loop der tijden zoo vaak weer hervormde bond nog een getuigenis noodig had, dan zou dit daardoor op de meest volmaakte wijze zijn gegeven, dat een zoo talentvol man, verstandig, voorzichtig, ervaren,

Sluiten