Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de heerschapppij zijner drie zonen tx rov ovqccvov tpsQÓpeva %Qvoea jiotrj/iaTa Hqotqov rt xal Cvyöv xicl oayuQiv xal (piiiXrjv Tttaelv èq rjj»> SxvO ixt'jv: ploeg, juk, bijl en schaal zijn, dunkt mij, duidelijke attributen van den Hemelgod, god van zonnewarmte, doch ook van onweer en regen : de bijl is ook hier weer het embleem van den bliksemgod, de ploeg en het juk zijn het symbool der bevruchting, de ronde drinkschaal, de Graal, zou ik, evenals den nid-oc, of den mundus der Romeinen, als de ronde aardschijf1), die de gouden zonnestralen opvangt, als het verzamelbekken dus dier stralen, willen verklaren. Het vervolg van het verhaal wijst in die richting. Want de oudste twee zoons vinden deze voorwerpen brandende, als het brandende braambosch, en kunnen zich deze niet toeëigenen, doch bij de komst van den jongste dooft het vuur. Wie, zegt Herodotus, in het bezit van dat hemelsche goud onder den open hemel inslaapt, leeft geen jaar

') Vgl. de /») TQajiilotMhU „tafelvormige aarde" bij Anaximenes A 20 (Diets, Vorsokr. I, 20, onder No. 20, reg. 20), maar vooral de r]Xloi> TQd.it ia (Hdt. 3, 17 en vooral 18), waar ook Kristensen aan herinnert (Mcd. Kon. Ak. 60 B No. 2, p. 21): deze tafel bij de Aethiopiërs werd •s nachts steeds weer gevuld xyt&v trpS-o'tv ndvxiav ratv TtTpcenocftor, die iedereen overdag mocht wegnemen: tpavai <f: ronj iitixa>olov;tavxatiiv y^v avriti' avad'icf'óvat fxdOroTt •— een formuleering, die men kan plaatsen naast de glosse van Hesychius : avtfitrtvtQa (Athenicnses)' »j yt). tlia tö ioü,' xa(i.-rovi aviivcu ; ook de mensa Delphica wordt door Kristensen (t.a.p.Óen21) m.i. juist als offertafel, afbeelding van de „aarde mitsgaders hare volheid" (Ps.24, v. 1, vgl. 1 Cor. 10,26) beschouwd. Ik vergelijk ook de Kretische offertafel, afbeelding van Aarde -f" Hemel, door de zuil = ó/i<pa)iói geschraagd, A. Evans, Earlier Religion oj Greece (1931) p. 7. Hiermede breng ik tenslotte ook de Italische lanx satiira in verbinding (z. ben. p. 54) en eveneens het bekende mensas consumere bij Vergilius (Aen. 3, 263; 7, 116), in zooverre als het „bezitnemen van het (beloofde) land" gesymboliseerd ligt in het „in zich opnemen van de mensa Italica, beeld van de Aard-moeder, de Antiqua Mater" (Aen. 3, 96), die zij moeten „exquirere". Vgl. ook Aen. 7, 120: Salve, mihi debita Tellus. het „eerste gebed" tot de Moeder-Aarde, ib. 7, 136.

Sluiten