Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2o. de twee eerste zijn namen van vrouwelijke godheden, die zoowel in Creta als op het vasteland van Griekenland vereerd werden, te Megara, te Athene. Dal Megara met Minos reeds oudtijds verbonden was, blijkt uit de bovenvermelde Cirissagen, uit het plaatsje Mivóta, vlak bij Megara. Juist voor Athena, de godin, neemt Cook') aan, dat „not impossible in Delos as at Athens Athena was the legitimate successor of the old „Minoan" goddess". Ook Nilsson2) ziet met Kretschmer 3) in den naam een aanwijzing, dat wij hier met een in Griekenland prae-indogermaanschen naam te doen hebben: -tjvtj in 'AS-r/vtj, (later 'A&qvü uit 'A&rjvaia „de Atheensche"), parallel met Mvx-r/vrj en dgl., laat een wortelelement at~ ath- over, dat in Klein-Aziatische, blijkbaar Pelasgische of Etruskische substraten voorkomt misschien met de beteekenis van „(heilige) pan of pot, xiyafio^". Zooals Kretschmer zegt, ware een Athena als „Töpfergöttin", wier voornaamste wijk lag in het „Töpferviertel", den „Kerameikos", waar juist ieder jaar de groote Panathenaeen-optocht door Athene ter eere van Athena begon, zeer begrijpelijk. Daarnaast staat Nilsson's4) fraaie combinatie: Athena's beide heilige dieren,vogel en slang, keeren precies zoo terug bij de Minoische huisgodin en wettigen voorloopig het vermoeden, dat wij in haar een — oostersche of zuidelijke — prae-indogermaanschen godennaam zullen kunnen vinden.

Nog één trek, typisch voor Athena, wijst naar het Oosten: haar Palladium5). Nilsson's bewering, dat Athena, oorspronkelijk identisch met de Minoische „Huisgodin", eerst te midden van de strijdlustige Myceensche bevolking tot beschermende, d.i. strijdvaardige godin geworden is, is gezien de waarschijnlijk reeds Cretensische kunstvoorwerpen, waarop het Palladion voorkomt, niet zeer waarschijnlijk. Wanneer naXXaóiov,

») Zeus II, p. 922.

2) The Minoan-Mycenaean Religton enz. (1927), p. 420 vlg.

3) Glotta, 11. 284.

*) The Minoan-Mycenaean Relii>ion 428.

') Sieveking, Roschers Lexikon d. Mylhol. III 1326, Nilsson t.a.p. 429.

Sluiten