Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Juist voor dezen Ltber „Zoon of Kind ' (van den Hemelgod) is de Faliskische inscriptie zoo belangrijk, die door Vetter1) aldus wordt aangevuld \ Ceres: far me[l] fere]tom ■ l[o]uf[ir] vi[no]m [doujiad „Ceres far mei ferctum, Liber vinum duit", omdat, indien deze aanvulling juist is, wij ook hier voor Lïber in de Vle eeuw voor Chr. nog den naam als Loufer < *leudh-er-os vinden, die immers geheel overeenkomt met hetgeen wij boven voor ltber „vrij" en libtri „kinderen" vastlegden.

3. Hiermede, d.w.z. met het terugvinden van drie zoo belangrijke getuigen als ltber „vrij", lïberi „kinderen", Ltber en Lïbera oorspr. „Zoon en Dochter" „Kinderen van den Hemelgod" voor den wortel eleu-\-dh- zijn wij op het punt gekomen, waarop een nieuw gegeven zijn rol kan spelen, gevend en ontvangend, in den wederopbouw van een overoud godsdiensthistorisch denkgeheel. Ik heb het oog op den naam der godin Ilithyia, godin der geboorte.

Zonder het elders2) gegeven materiaal weer op te sommen wil ik hier alleen de voor mij belangrijke punten aanwijzen. De naam komt in tal van varianten voor, door W. Schulze3) uitvoerig bestudeerd; de oudere vorm is 'EXev&via geweest. Schulze sluit zich — en terecht — aan bij de oude gram-

II 62) zegt: „quod ex nobis naton liber os appellamus, ideo Cerere nati nominati sunt Liber et Libera, quod in Libera servant, in Libero non item . Hoe overtuigd Altheim, die ook deze plaats bespreekt, zijn oogen sluit voor de hierboven voorgedragen, m. i. alleen juiste zienswijze, blijkt wel uit zijn uiting (Terra Mater 34 en 37): „man hat sich also nicht gescheut beider Namen entgegen ihrer ursprünglichen Identitat mit Eleutheros und Eleuthera einen neuen Sinn (nl. van Itberi „kinderen van Ceres") unterzuschieben".

') Glotta 14, 27 sqq., z. ook F. Altheim, Terra Mater 22.

2) Roscher (Lex. d. Myth. s.v., Pauly-Wissowa s.v. Eileithyia ~ Eleuthyia, Eleusia, Eleuthia, Eleutho; verder speciaal Farnell, Cults of the Greek States I 211; II 444, 608 — 14; III 202. De bespreking door M. P. Nilsson, Minoan-Mycenaean Religion, (1927) p. 449 brengt op dit punt geen nieuw licht.

3) Quaestiones epicae 259—261, 525

Sluiten