Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vreezen duizend dingen veeleer, dan God te mishagen of van den weg zijner geboden af te wijken. Die vreeze achten zij angstvallige, bekrompene kleingeestigheid te zijn. Zij verstaan haar niet, zij is hun vreemd, zij kunnen er zich geen denkbeeld van vormen. Maar de Christen, de ware Godvruchtige kent ze bij ervaring. Zij is bij hem geene angstvallige, bekrompene kleingeestigheid, hoedanige men oudtijds bij de Joden zag en nog vaak ziet. Zulk eene bekrompenheid zou weinig strekken met de edele vrijheid, waartoe wij door het Evangelie des Nieuwen Yerbonds geroepen zijn, zulk eene kleingeestigheid zou den aangenamen en zaligen dienst van God en van den Heere cheistus tot eenen lastigen pligt maken en hen, die als kinderen met blijmoedigheid hem moeten gehoorzamen, weder onder den dwang der dienstbaarheid brengen. De vreeze, waarvan hier sprake is, is die teederheid, en bedachtzaamheid, welke overstaat tegen de zorgeloosheid, ligtzinnigheid en ijdelheid des gemoeds, welke ons van nature eigen zijn. De mensch, die geduriglijk vreest,

kent zijne roeping en wenscht haar te vervullen, beseft de gevaren, waarvan hij ten allen tijde is omringd

en is er zorgvuldig op bedacht, dat hij ze of ontwijkt of dat ze hem aan zijne roeping niet doen ontrouw worden.

Hoog en heilig is de roeping van den Christen, den Godvruchtigen. Boven anderen moet hij uitmunten. Overvloediger dan die der Parizeën en Schriftgeleerden, dan die van alle zedeleeraars en verhandelaars over het wezen der deugd, moet zijne geregtigheid wezen. Niet naar een zondig mensch, niet naar den uitnemendsten der menschen heeft hij zich te rigten, God is zijn voorbeeld; God, die een licht is zonder inmengsel van eenige duisternis, God, de volmaakte liefde, de volmaakte

Sluiten