Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Heer, den Geest belooft aan die in Hem gelooven. Troosten is het hemelsch karakter, waarin Hij zich aan dezulken openbaart. Wind en vuur gaan voor Hem uit, maar Hij zelf komt in het suizen eener zachte koelte. Het gekrookte riet doet Hij zich weder oprigten, de rookende vlaswiek weder ontvlammen. In het verslagen hart des zondaars verwekt Hij het geloof aan zijne aanneming onder Gods kinderen. Die tot het hart gezegd heeft, jeztjs Christus is uw Zaligmaker, zegt ook tot het hart, en zijn Vader is uw Vader en legt het Abba, Vader op de lippen met den krachtigsten nadruk en den teedersten klank. In de zuchtende ziel des lijders, die niet weet wat hij bidden zal, naar hetgeen behoort, bidt hij voor hem met onuitsprekelijke zuchtingen. In den wankelmoedigen geest des geloovigen drukt hij het onuitdelgbaar zegel ten onderpand deizaligheid. In één woord, gelijk God elke plaats, waar Hij zijn intrek neemt, tot eene woonstede zijner heerlijkheid maakt, zoo is de H. Geest een bron van leven, vrede, vreugde en zaligheid voor elk hart, dat Hij zich kiest ten tempel. Hij opent in dat hart een bron van vertroosting, die nooit ophoudt te vloeijen, Het is als een groene hof, die het nooit aan water, lafenis en verkwikking ontbreekt. De zon moge op den schedel branden, de hitte van den weg de voeten verschroeijen, alles van rondom verdroogen en verschroeijen, die bron vloeit steeds voort, „Al ging ik," zoo kan de begenadigde spreken, „al ging ik ook door een dal van Baka, ik acht het voor een waterbron, alsof een milde stroom van regen mij bedekte."

Zalig, wie die bron vau eeuwige vertroosting in zich draagt. Hij geniet het leven en den vrede der ziel. Maar dat leven en die vrede worden niet onvoorwaardelijk genoten. Zij worden wel onvoorwaardelijk gegeven,

Sluiten