Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan personen van aanzien, koningen en vorsten, toe te brengen. Doordrongen van de gebeel eenige grootheid des Heeren , boog hij zich in de nederigste houding voor Hem neder, viel op zijne knieën, en stortte diep ootmoedig zijne smeeking uit in deze woorden. „Heere! zoo gij wilt, gij kunt mij reinigen."

Welk eene treffende ontmoeting is het, die zich hier aan ons vertegenwoordigt, de sterkste tegenstelling, die er denkbaar is. Het was het zamentreffen van genade en ellende, van almagt en magteloosheid, van vlekkelooze reinheid en de schromelijkste onreinheid, van het leven en den dood. En merkt op het geloof, aan den dag gelegd door den ongelukkigen. Wat hij van geen mensch ter wereld verwachten kon, dat verwachtte hij van den Heiland. Hetgeen hij aangaande Hem vernomen had, hoe die groote Profeet van Nazareth den blinden het gezigt, den dooven het gehoor had weergegeven, en de ongeneeslijkste krankheden met een enkel magtwoord genezen had, was hem de grond voor die verwachting. Dat even dezelfde ook hem van zijne melaatschheid kon verlossen, stond bij hem vast. Daaraan twijfelde hij niet. Dat Hij het wilde, wist hij niet zeker, dat moest nog blijken. Maar ook dat toch geloofde hij, anders toch zou hij niet tot Hem gekomen zijn. Waarom stond het dan minder bij hem vast, dat de Heer hem wilde, dan dat de Heer hem kon reinigen? Dit lag in den aard der zaak. Dat de Heer hem kon reinigen kon de melaatsche blijven gelooven, ook al reinigde de Heer hem niet. Maar dat de Heer het ook wilde, zou eerst kunnen blijken uit de daad der genezing zelve. En toch, voor dat de genezing er was, geloofde de melaatsche reeds aan de mogelijkheid, dat de Heer ook hem uit zijnen ellendigen toestand zou willen verlossen. Twee dingen wist hij: ik heb genezing noodig, en ,/deze: jezus kan, kan alleen mij helpen; één ding deed hij, Hij kwam tot den Heiland,

Sluiten