Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dood moge zijn, mijne ziel is gered, gered voor eeuwig: al de vreugde des levens verdubbeld te zien door het denkbeeld dier te wachten onuitsprekelijke vreugde, al de beproevingen des levens te zien veranderen in zegeningen, die tot zaligheid medewerken; tegenover alle smarten, alle teleurstellingen, alle verliezen dezes levens te kunnen stellen de verwachting, de onbedriegelijke zekere verwachting van een toekomstig, onwaardeerbaar, eeuwig geluk. Neen, te vergeefsch tracht men in menschelijke woorden dien Goddelijken vrede en die vreugde in het hart, dat als een onuitdelgbaar zegel het onderpand des H. Geestes heeft ontvangen, uit te drukken. Het is een vrede en eene vreugde, die het hart door en door bevredigt, die louter en zonder bittere nasmaak is, die kracht geeft om te lijden, te strijden, te dragen, te roemen zelfs in de verdrukkingen; die de vreeze des doods geheel en al overwint en zelfs in die veege ure, waarin het klamme zweet des doods het aangezigt bedekt en schrik en angst het brekend hart ontzetten, de kwijnende ziel zich nog doet baden in hemelwellusten en zaligheden. Zalig, driewerf zalig, die deze bron van eenige en eeuwige vertroosting in leven en in sterven in zich heeft, stroomen des levenden waters zijn het, die uit zijn binnenste vloeijen.

Kan het anders, of bij zulk eene bewustheid en het genot van zooveel vertroosting, moet heiligheid des levens het doel en de vreugde des levens zijn : de vraag hier gedaan toestemmend te kunnen beantwoorden, te weten dat men den H. Geest ontvangen heeft, is gelijk verblijdend en vertroostend, zoo ook duur verpligtend te noemen. Al wat mensch heet, moest Hem verheerlijken, in wiens hand aller adem is en bij wien aller paden zijn; maar tot hem, die uit God geboren, die een discipel van Christus, die des Heiligen Geestes deel-

2

Sluiten