Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Positie en werzaamheid van den Hoogleeraar, ingeval van verplaatsing der Kweekschool.

nen zoowel als met jongelieden door denzelfden geest bezield, maar van verschillenden aanleg, onderscheidene ontwikkeling en gaven en richting van studie. Deze vereeniging van voordeelen nu kan alleen verkregen worden eenerzijds door eene zoodanige opvatting zijner taak door den Rem. Hoogleeraar, als tot bereiking van dit doel noodzakelijk zal bevonden woiden, en anderzijds door eene totale hervorming van de aan ons Seminarium tot dus ver geldende voorschriften en gewoonten, ten aanzien van de regeling der studiën onzer studenten.

Wat het eerste betreft, heeft uwe Commissie natuurlijk geene bepaalde voorstellen te doen. Aan den "geleerden en godvruchtigen man" door de Broederschap aan het hoofd van hare Kweekschool geplaatst, moet en kan het ook gerustelijk worden overgelaten, hoe hij in verband met de eischen van tijd en omgeving zijne werkzaamheid hebbe in te richten, opdat deze tot het meeste voordeel der Broederschap en harer aanstaande predikanten moge strekken. Ook is in deze door ons Algemeen Reglement nimmer eenig bepaald voorschrift aan den Hoogleeraar gegeven. Uwe Commissie heeft slechts in het licht te stellen, hoe zij zich voorstelt, dat juist door de voorgestelde verplaatsing der Kweekschool naar de Akademie, die werkzaamheid des eigenen Hoogleeraars te vruchtbaarder worden kan. Hij zou zich n. 1. in den regel kunnen onthouden van het geven van openbare lessen in die vakken der Theol. wetenschap, welke de Theol. professoren aan de Akademie door de wet verplicht zijn te geven, en in deze zijne studenten kunnen laten profiteeren van het Akademisch onderwijs. Daartoe zou hij, wat de voornaamste colleges betreft, hen kunnen verplichten en, ten aanzien der overige, hun de meest volledige vrijheid laten. Zelf echter zou hij, naar den aard zijner eigene speciale studie, een of meerdere colleges kunnen openen in zoodanige hoofdvakken der Godgeleerheid, tot het geven waarvan de Akademische professoren door de thans vigeerende wet niet verplicht zijn, maar waarin een degelijk openbaar onderwijs toch bij den tegenwoordigen stand der godgeleerde wetenschap schier onmisbaar raag heeten, terwijl daartoe door de Heeren

Sluiten