Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geloofsgenooten en vrienden. Dat hij onbewust was van de gangen van Johannes Grevius, die in den naherfst van dit jaar te Kampen in elf verbodene bijeenkomsten der Remonstranten het woord voerde, is niet te gelooven; doch alles geschiedde zoo bedektelijk, dat men niet in staat was zijne schuld aan het licht te brengen. Misschien werkte de oogluiking van Magistraatswege daartoe wel mede. Maar na de verwijdering der raadsleden en meentslieden (Januarij 1620) die bekend stonden de Remonstranten te begunstigen, groeide het gevaar steeds aan, cn geene middelen werden ontzien om de gehate partij in het hart te treffen, waartoe zich ten Iaatsten de gelegenheid aanbood. Een toeval speelde den kerkeraad de roede in handen, waarmede de ketters, zoo als men ze noemde, zouden getuchtigd worden.

Jonker Otto Tengnagel, mede der Remonstrantsche leer toegedaan, in de maand Februarij 1621 over straat gaande, liet, zonder zulks te merken , met het uithalen van zijn' neusdoek, eenen brief vallen. Het ongeluk wilde dat de zuster des schoonzoons van zekeren Antonie Dusain, juist daar langs komende , den brief vond liggen , dien opraapte en aan Dusain ter hand stelde. Deze was een streng Calvinist van de Waalsche gemeente , wien zijn groote ijver voor de zaak der heerschende kerk kort te voren in de vroedschap had gebragt. De brief was van D°. Scholier» uit zijne ballingschap herwaarts gezonden , met het opschrift: Jonker Otto Tengnagel, Marcus Gualtherus, Franko Geurts, Lambert Roelof'szoon. Door den bode aan Franko behandigd , was hij door dezen ongeopend aan Tengnagel gezonden en den volgenden dag ten huize van den eerstgenoemde geopend en gelezen, in bijzijn des rectors , die bij geval daar voorbijgaande, door hen werd ingeroepen. Schötler gaf in dezen brief zijn nood te kennen, hoe hij nu achttien maanden met vrouw en kroost in de

Sluiten