Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wat de dichteres Henriette Roland Holst bedoelt, wanneer zij spreekt over het menschengeluk dat eens op aarde komen kan, maar daarvoor zullen er velen moeten vallen. Dan zegt zij: de prijs is klein, voor het menschengeluk, al gaan duizend maal duizend harten stuk. Zie, zoo moeten wij het geluk koopen, de prijs van duizend maal duizend harten niet te hoog achtend. Ja, zoo voelen wij het ook een oogenblik, maar dan denken wij: als bij die 1000 X 1000 harten ook het hart van mijn moeder, die ik lief heb, ook het hart van Uw vrouw of Uw man is, kunt gij dan nog zoo licht zeggen: dat de prijs klein is, voor dat menschengeluk, al gaan die harten stuk? Nu komt er iets van een aarzeling. En moge in het groote geheel gezien die verklaring ons eenig licht geven, zij brengt ons toch niet tot een verzoening met het lijden, wanneer ik denk aan de persoonlijkheid, wiens hart gebroken moet worden om het geluk voor te bereiden.

Zoo zien wij dat elk van de drie verklaringen, welke wij trachten te beschouwen, vast loopen wanneer het gaat om de persoonlijkheid.

Nu moeten wij het goed gaan verstaan, dat lijden altijd samenhangt met persoonlijk beleven. Het is niet zoo, dat God in deze wereld een bepaalde hoeveelheid lijden zendt, die moet worden gedragen, zooals er b.v. in deze wereld ook een bepaalde hoeveelheid water is, die de zeeën en rivieren vullen moet. Neen, niet een bepaalde hoeveelheid lijden is er. Maar lijden wordt geschapen, wanneer het leven in aanraking komt met de persoonlijkheid. Lijden is niet iets buiten den mensch om. In het leven zijn weerstanden, zijn zwarte machten. Wanneer die nu een mensch raken, of wanneer de mensch stuit tegen zoo n weerstand, dan ontstaat het lijden in dien mensch. Lijden is een toestand van de menschelijke ziel. Zoo vervalt ook de vraag: of het lijden uit God is. Uit God is deze wereld, uit God zijn de zware dingen van deze wereld, maar pas in den mensch worden deze tot een leed, tot lijden. Zoo zal die mensch lijden, die van deze wereld een hoog ideaal heeft en die het beeld kent van een leven, zooals het zou moeten wezen en zooals hij verlangt, dat het was. En nu zal het U duidelijk zijn, waarde luisteraars, dat die mensch het meest lijdt, die het fijnst gevoelig is, wiens ziels-structuur het allerteerst is. Ziet, wanneer in een gezin moeilijke dingen komen, wie lijdt het meeste? De grof besnaarde, ach, hij verstaat niet dat er zooveel leed is. Is het niet de zeer gevoelige, de stille moeder, het teere kind, dat er onder doorgaat? Lijden is daar, waar de ziel zeer gevoelig is. Rosa Luxemburg vertelt in haar brieven uit de gevangenis, dat zij op de binnenplaats van de gevangenis in oorlogstijd een wagen zag, getrokken door karbouwen. Een van die dieren was tot bloedens toe geslagen, en het bloed sijpelde uit de wonden. Een ruwe kerel stond er naast en zij zegt: Toen heb ik het gezien, dat die ruwe mensch niet leed, maar aan de weemoedige oogen van die karbouwen heb ik verstaan, dat die dieren dieper leden dan de grof besnaarde mensch. Zoo is lijden daar, waar de mensch fijn van ziel is. Als het ijzer niet trilt, dan trilt het goudblad wel. Dat is het diepe raadsel, dat het Evangelie heeft willen ontsluieren, wanneer het Evangelie spreekt over den Messias, den Koning, die komen zal, en dan zegt dat de Messias moet lijden. In den tijd, dat Jezus leefde, verwachtte men allerwege den Messias en men dacht hem als een Koning, die komen zou op een troon in macht en heerlijkheid, of als een hemelsche gestalte, die zou neer-

Sluiten