Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uitdrukt — symbool van het deelnemen aan de van God gegeven werkelijkheid.

Dit geestelijk element in de verhouding van den mensch tot zijn bezit kon bestaan, zoolang dit bezit zich uitstrekte over een beperkten kring van goederen. _ _

Dit nu wordt sinds het begin der negentiende eeuw in voortdurend sterker mate anders. De ontwikkeling der techniek maakt het mogelijk, goederen in geweldige hoeveelheden en in eindelooze verscheidenheid voort te brengen. De concurrentiestrijd bracht mede, dat getracht werd in elke opkomende behoefte aan gebruiks- en verbruiksgoederen zoo snel mogelijk te voorzien en dat de vraag naar de producten der industrie kunstmatig werd versterkt of opgewekt door reclame. De goederen werden dan ook voor den mensch hoe langer hoe meer uitsluitend handelswaren. Men gevoelt het verschil: hier bestaat niet meer de door piëteit gekenmerkte band tusschen de persoonlijkheid en de stoffelijke goederen. In het vervaardigen van goederen speelt de persoonlijkheid, de individualiteit van den vervaardiger zooveel geringer rol dan vroeger en menigmaal in het geheel geen rol — men denke aan al hetgeen in massa wordt geleverd door nagenoeg automatisch werkende machines. De goederen worden anders behandeld dan vroeger, met minder gehechtheid, ze gaan op andere, op losser, gemakkelijker wijze van hand tot hand.

Dit ontbreken van een geestelijken band tusschen persoonlijkheid en bezit, dit vervluchtigd zijn van het gevoelselement in de verhouding tusschen persoon en zaak is een kenmerkende trek van de moderne samenleving. Met het verdwijnen van dien band verdween uit de samenleving een element van rust en van geestelijken rijkdom. Door deze verzakelijking kwam een waarde van hooger orde in het gedrang.

Dit nu treft men in onze samenleving allerwege aan: het in het gedrang komen van waarden van hooger orde. Men staat slap tegenover geestelijke waarden, of erger nog: men negeert ze of is zich van het bestaan ervan nauwelijks bewust. Men laat zich, bij zijn doen en laten, al te weinig leiden door de overtuiging, dat er waarden zijn van hooger orde, normen van zedelijk karakter, die onvoorwaardelijk dienen te worden geëerbiedigd. En in groote mate is dit verschijnsel, deze lauwheid, naar ik geloof, versterkt door het zoozeer verschuiven van het zwaartepunt van het gemeenschapsleven naar de sfeer van het economische. Het is in onze maatschappij al tegenstelling van belangen, van stoffelijke belangen dan in de eerste plaats, en aan het najagen van stoffelijke voordeelen worden de kostbaarste geestelijke goederen geofferd. Dit geschiedt in het groot en in het klein, door staten, door handelslichamen en door individuen. Men zoekt afzetgebieden voor zijn industrieën, desnoods met vertreding van de rechten en vrijheden van andere volken, men doet elkaar concurrentie aan met de middelen, die men in het verkeer tusschen verwanten en vrienden zou verafschuwen. Deze belangentegenstellingen doorkruisen de maatschappij in alle richtingen, doch geen enkele trok zóó strak een lijn dwars door de moderne menschheid heen als die tusschen kapitaal en arbeid, als de tegenstelling tusschen de weinigen eenerzijds, die meester zijn van de productiemiddelen en anderzijds de velen, die voor hun bestaan uit arbeid zijn aangewezen op die productiemiddelen. Ieder weet, hoezeer deze tegen-

Sluiten