Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dienen: »hij is afgodendienaar", of: »hij pleegt afgoderij". Nu is die qualificatie, op het standpunt van hem, die haar uitspreekt, onaantastbaar; de formule, waarin zij ligt opgesloten, wordt eerst onjuist, als men haar karakter voorbijziet en haar opvat als bloote beschrijving van een feit. Een paar voorbeelden! »De profeet" — zoo lezen wij Deut. XVIII: 20 — »die zich verstout... te spreken in den naam van andere goden, die profeet zal sterven". Natuurlijk heeft nooit zulk een profeet sin den naam van andere goden" gesproken; altijd in den naam öf van Astoreth öf van Merodach öf van welke andere bepaalde godheid ook; dat weet de schrijver even goed als wij; maar het is hem volmaakt onverschillig, welke die godheid is, en daarom vat hij ze alle samen in de éene formule, die ze tevens alle veroordeelt: »andere goden". Zoo ook Deut. XIII: 3, 7, 14 *). Daar worden telkens menschen sprekend ingevoerd, die tot hunne hoorders, vrienden of stadgenooten zeggen: »Laat ons gaan en andere goden dienen!" In de werkelijkheid zijn die woorden nooit gebruikt, maar is steeds, naar bepaalde aanleidiug, de vereering van éene godheid of groep van goden door hare voorstanders aangeprezen: wederom qualificeert de wetgever en noemt hij den éeneu trek, dien alle vreemde eerediensten gemeen hebben, en die ze alle in zijn oog even verwerpelijk maakt.

Bedrieg ik mij niet, dan beginnen wij reeds te begrijpen, hoe het komt dat Jeremia — in dit opzicht, gelijk in zoovele andere, de getrouwe volgeling van Deuteronomium — gemeenlijk omtrent de goden, die zijne tijdgenooten vereerden, o. a. omtrent »de koningin des hemels", niet in bijzonderheden treedt, maar hun eenvoudig verwijt,'dat zij »andere goden" aanbaden. Doch wij moeten onze waarnemingen verder voortzetten. Hoezeer Jeremia — in overeenstemming trouwens met anderen — pleegt te geueraliseereu, juist omdat de bijzonderheden hem koel laten en hij niet beschrijft, maar bestraft — blijkt ook uit zijn gebruik van den naam Baal, of juister de Baal. Dat woord heeft, in zijne toe-

') In de Statenoverzetting: XIII : 2, 6, 13.

12»

Sluiten