Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

of » al het heir des hemels", maar: » de kinderen lezen hout^ en de vaders ontsteken het vuur, en de vrouwen kneden het deeg, om koeken te maken voor de koningen des hemels".

Onze slotsom wordt nu nog door twee andere plaatsen van het O. Testament bevestigd. Vooreerst door H. VIII van Ezechiël. Daar worden beschreven vier vormen van afgoderij, die in den Jeruzalemschen tempel, hetzij onder Manasse, hetzij onder Zedekia, werden gepleegd x). Onder deze zijn er althans twee, waarvan wij niet wisten, dat zij onder Israël hunne aanhangers hadden: de vereering van afbeeldingen van dieren in daartoe ingerichte vertrekken (vs. 7 —12), en de weeklacht over Thammüz (vs. 13 v.). Wat Ezechiël elders, b. v. in H. XVI en XX, in meer algemeene termen beschrijft, de verslaafdheid van velen aan den dienst der afgoden, dat maakt hij hier, in eene schildering van den Jeruzalemschen tempel als het tooneel der afgodische plechtigheden, aanschouwelijk, en aanstonds vernemen wij van hem bijzonderheden, die ons geheel nieuw zijn. Is dit niet volkomen parallel met de verhouding van H. VII: 17 v.; XL1V: 15 vv. tot Jeremia's overige profetieën ? De overeenkomst strekt zich uit tot de woorden zelve, die Jer. VII : 17 en bij Ezechiël voorkomen. »Ziet gij niet, wat zij doen . . zoo schrijft Jeremia. Eu zijn jongere tijdgenoot (vs. 6, 12): »Menschenkind, ziet gij wat zij daar doen?" »Hebt gij gezien, Menschenkind, wat de oudsten van Israël verrichten in het donker?" Overigens verwondere men zich niet, dat over de koningin des hemels in Ezech. VIII wordt gezwegen: dat deze ook in den Jeruzalemschen tempel werd vereerd, volgt uit de teksten van Jeiemia met, veeleer het tegendeel 5 en met hetgeen daarbuiten omging laat Ezechiël zich hier niet in.

De andere plaats, waarop ik het oog had, komt voor bij den tweeden Jezaja. Op de vraag, of de Israëlieten eene of meer der planeten hebben vereerd, zouden wij, met het O. Testament vóór ons, moeten antwoorden: daarvan blijkt met zekerheid weinig of niets. Een getuigenis van onzekere

') Verg. mijn Godsdienst van Israël, Deel I: 491—193,

Sluiten