Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hij vroeg hem dus wat hij verlaugde, om zich daarnaar te regelen. Alexander antwoordde, dat hij de tienden van zijn land moest geven zooals alle andere vorsten, en als hij dit niet wilde, zou hij hem met Gods hulp bestrijden. De veelheid zijner troepen verschrikte hem niet, daar God machtig is, weinigen over velen de overwinning te geven. Met dit antwoord zond hij verscheidene Perzen en Indiërs, wien hij beval te verhalen hoe hij tegenover hen trouw en schoon gehandeld had. Daarop onderwierp de koning van China zich en verzocht hem de tienden, die hij volgens verdrag voor zijn land moest betalen, aan te nemen in ongekleurde en gekleurde zijde en andere voortbrengselen van nijverheid. Alexander stemde hierin toe en de schatting werd bepaald op 1 millioen stukken pirend (gekleurde zijde), 1 millioen stukken hartr (ongekleurde zijde), 500.000 stukken kïmcJiau (gedamasceerde zijde), 10.000 zadels met bijbehoorende beugels en toornen, en 1 millioen pond (mna) zilver. Alexander bleef in zijn land tot hij eene stad gebouwd had, die hij den Steenen Toren noemde en waarin hij een garnizoen van 5000 Perzen plaatste, onder bevel van een zijner vrienden namens Neoclides J). Daarop ging hij, vergezeld door den heer van China, noordwaarts tot hij in het land Schül kwam, wat hij veroverde en waar hij twee steden stichtte, de eene Schül, de andere Chomdan geheeten. In deze laatste beval hij den koning van China zich met zijne troepen te vestigen, terwijl hij in Schül een garnizoen moest leggen. Toen trok hij verder naar de Turken in de vlakte (de nomadische Turken), die hij onderwierp. Daar vernam hij dat een groote menigte vau deze Turken in het Noordoosten het land verontrustten en raadpleegde den koning van China over hen. Deze berichtte hem dat er geen andere buit op hen te behalen was dan vee en ijzer en dat zij ingesloten waren in een hoek van de aarde ten noorden door de Groene Zee, die niemand kan oversteken, ten westen en zuiden door hemelhooge bergen; dat zij slechts

vgl. Pseudo-Callisth. III, 17, p. 121 b Neooles.

7*

Sluiten