Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat de Kerkeraad op 12 April 1875 voor dit fataal en onhoudbaar geworden artikel een ander en beter in de plaats schoof.

Had men in 1859, toen de Censuur nog eerlijk toeging, te goeder trouw, bepaald: „Een kerkelijk gecensureerde is ook geschorst als Kerkvoogd"; thans in 187-j, nu de Censuur op oneerlijke wijze vervalscht was, en dus te goed vertrouwen op ontrouw zou uitloopen, bepaalde men omgekeerd: „Kerkelijke censuur stuit de functie van den Kerkvoogd niet!"

Of liever men ging voorzichtiger te werk.

Immers, het kon toch vroeg of laat gebeuren, dat een Kerkvoogd werkelijk om „zedeloos gedrag" geschorst wierd, en wie zou dan de gestrengste doorwerking van zulk een schorsing belemmeren willen ?

Er moest dus geschift, er moest onderscheiden. Niet alle Censuur kon ijdel verklaard. Slechts de zondige, immoreele Censuur der heerschzuchtige Besturen moest op beheersterrein krachteloos gemaakt. En daarom bepaalde de Kerkeraad: 1°. dat een geschorst of gecensureerd Kerkvoogd in elk geval begon met als zoodanig in volle functie te blijven ; en 2°. dat daarna de kerkvoogden te beslissen zouden hebben, of zijn censuur hem ook als Kerkvoogd buiten gevecht zou stellen.

Het volle artikel luidde aldus:

Wanneer een lid der Commissie, een der Stemgerechtigden, of wel een der Beambten, onverhoopt onder kerkelijke censuur, van wat aard ook, mocht gesteld zijn, beslist de Commissie, of en in hoeverre deze censuur gevolgen heeft voor de rechten van den betrokkene, hem krachtens eenige bepaling van dit Reglement toekomende of toegekend. In elk geval blijft tot op deze beslissing de zaak in haar geheel en de betrokkene in functie.

Een artikel door den rapporteur. Dr. Van Ronkel, in de Kerkelijke Commissie o. a. met deze sobere, maar toch steek houdende opmerking verdedigd: »Men stond indertijd wel bloot aan Censuur wegens het niet nakomen der verplichting om gezangen te laten zingen. Zou men nu kunnen toelaten, dat in zoodanig geval, of ook door administratieve censuur de kerkelijke Commissie werd aangerand ?" En voorts in zijn kerkeraadsrapport van 6 September 1875 met deze snijdende opmerking: „Immers zoude anders onze geheele Gemeente wat haar Beheer aangaat, op een gegeven oogenblik naar de willekeur en luim van eenig hooger Kerkelijk Bestuur eensklaps heerloos kunnen staan ƒ"

En wat zou er nu in zulk een veiligheidsbepaling ongeoorloofds of onwettigs zijn?

Ging het door, dat de Gemeente uitsluitend eigen lidmaten kon machtigen, om haar beheer te voeren, er kon nog bedenking rijzen. Maar dat is niet zoo. De Gemeente kan een ieder machtigen. Een

Sluiten