Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

II.

KARAKTERLOOS.

Tegenover het scherp verwijt van deze fout staat een vriendelijke vergoeding.

Een onzer felste tegenstanders erkent namelijk, dat onze houding minder karakterloos was, dan die der wederpartij.

Bij de „karakterschaarschte", waarover Beets klaagde, een niet te versmaden profijt.

Het was de Hervorming, het orgaan der verstgaande Modernen, die zoo sprak.

Met ons was het Classikaal Bestuur van oordeel, dat loochenaars des Heeren tot het H. Avondmaal toe te laten, erge zonde voor God zou zijn. Maar, zoo beweerde het, van deze „gedoopte kinderen der gemeente" mag iets zoo schrikkelijks niet vermoed. Dus mogen we hén vrij naar het Avondmaal helpen.

Zoo ongeveer als zeker afschaffer in Engeland, die een zoon had, die sterk dronk, en met dien jongen voor de slijterij stond. „Vader, vroeg de jongen, geef mij geld! Ik wou die herberg ingaan!" En de vader gaf het geld, en de jongen verliederlijkte zich. Maar, toen straks zijn vrouw hem verweet: „Hoe kondt ge dien jongen nu ook geld geven, gij die nog al afschaffer zijt, daar ge toch zaagt, dat hij er inging!" — toen antwoordde deze Teetolaler doodleuk: „Geld aan mijn zoon te geven om zich te bedrinken, ware ongetwijfeld zeer erge zonde voor God geweest. Maar van zoo zondige intentie was bij mijn jongen op dat oogenblik niets positief gebleken."

En hiervan nu hoorend, riep het moderne orgaan uit, „moet ons de belijdenis toch van het hart, dat de mannen van het Classikaal Bestuur hiermêe hun toeclucht namen „tot een jammerlijke uitvluchtwaarvan ze zeiven al het nietswaardige gevoelden", ja, „tot een dier gedrochtelijke fictièn, waarvan zij, die van Confessioneel standpunt uit de reglementen willen handhaven, maar al te dikwijls genoodzaakt zijn zich te bedienen." 1)

Een oordeel aldus in de Hervorming gemotiveerd:

!) Letterlijk stond er: »Het Classikaal Bestuur laat in bedoeld schrijven volgen, dat het ganschelijk niet overtuigd is, dat zij, die de getuigschriften aanvragen, »zulk eene zonde wilden bedrijven." O, wij zijn er van overtuigd, dat de mannen, die dit schreven, zeiven moeten gevoeld hebben, dat zij hier als handhavers der reglementen tot een jammerlijke reglementaire uitvlucht de toevlucht namen; tot eene dier gedrochtelijke ficties, waarvan zij, die van confessioneel standpunt uit de reglementen willen handhaven, maar al te dikwijls genoodzaakt zijn zich te bedienen. En het baat niet of tegenover Kuyper's beweren : het Woord Gods verbiedt mij dit reglement op te volgen, al de andere bewering wordt gesteld : en mij gebiedt het Woord Gods juist dat reglement te gehoorzamen. Want het Woord Gods is of de Heilige Schrift als zoodanig, die natuurlijk van geen kerkelijke

Sluiten