Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

weegt de priester zijne voeten naar de bron van Siloam, en draagt in de gouden kruik het water, dat geplengd wordt met eeue stemme der dankzegging: „en gijlieden zult water scheppen met vreugde uit de fonteinen des heils!" Voorwaar! een hoogtijd des Heeren, al kende Israël den Koning des feestes nog niet. Zinrijke plenging der wateren, terwijl de woestijn-reize herdacht wordt. Maar wie onder de scharen verstaat de profetie, dat de wateren uitvlieten van het zuiden des altaars? dat de dag komt den Heere, wanneer er levende wateren uit Jeruzalem vlieten zullen? En toch, ziet de geestelijke steenrots is in hun midden. En als de laatste toonen van het Hallel zwijgen, staat Hij daar, en verheft Zijne stem, en spreekt: „Zoo iemand dorst, die kome tot Mij en drinke. Die in Mij gelooft, gelijkerwijs de schrift zegt, stroomen des levenden waters zullen uit zijn binnenste vloeijen."

Zoo hebben wij met ijlenden tred de gelegenheid begroet, waarop de Heere Zijne loofhutten-prediking deed hooren. Als wij ons dan nu ter ruste zetten om die heilsprake nader te bepeinzen, o! moge het zijn onder Zijne schaduwen, en de Heere ons te smaken geven, waarom Hij eenmaal eene tente onder de menschen-kinderen gebouwd heeft!

De Heere zelf bepale onze aandacht:

1°. bij den Gezegende, die Zijne stem doet vernemen.

2°. bij de sprake, die over Zijne heilige lippen vloeit.

Sluiten