Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

woord ik voor mij zeiven: le Jat ik tevreden wensch te blijven in mijnen stillen huiselijken kring, waarin de Heere mij met teekenen en wonderen heeft omgeven ; vergewist en verzegeld, dat ik Zijne geboden bewaar en doe wat hem welbehagelijk is, en dat, indien de Heilige Geest mij zichtbaarder over grootere dingen mocht willen stellen, mijn moeten of niet moeten, mijn willen of niet willen hoegenaamd in geen aanmerking komt; 2e: dat nog nooit iemand mij anders zal vinden dan overvloedig gewillig en bereid in den Heeie, oin Zijne woorden te spreken, hoewel ik zeer bang ben voor de menschen, want zij zeggen het wel, maar doen het niet, en verwerpen of verdraaien de woorden, hun tot hun heil gezegd in hunne onleerzaamheid, onvastheid en hardigheid des harten tot hun eigen verderf. Maar opzichtelijk ulieden antwoord ik: 3e: dat zoo weinig ik de Afgescheidene gemeenten, in haar ontstaan als zoodanig, als de Gemeente des Ileeren erken , ik haar allerminst als zoodanig erken voor het tegenwoordige. Want in de wijze waarop de Afgescheidene gemeenten hare erkenning bekomen hebben of dezelve zoeken, hebben zij zich tot een secte gemaakt en getoond dat zij zelve niet gelooven, de Gemeente des Heeren te zijn. Hoe zal ze dan de Koning der Koningen er voor erkennen? Hoe zijn dienaar? Brummelkamp! verdraagt mijne woorden in zachtmoedigheid en neemt ze aan gelijk ze zijn, des Heeren, en gelijk gij mij kent: recht en slecht. Ver werpt ze niet, want dat zal u niet goed zijn. Ik ben ulieden niet vijandig , integendeel, allen die ulieden vijandig zijn, zullen hun oordeel dragen; het Gouvernement en de Gouvernements-Kerk heeft gezondigd met u te vervolgen , te kwellen en te martelen, de niet-Afgescheidenen die daar zeiden: Wij belijden uwe leer, wij zijn uwe broeders, hebben gezondigd dat wij ons niet bij u gevoegd hebben, maar gijlieden hebt, hetzij dadelijk, hetzij door gemeenschap gezondigt, dat gij eenen tempel bouwende , den Hoeksteen verworpen hebt, den alleen Geboren Zone Gode, die den Hemel tot Zijne troon heeft en de aarde tot een voetbank Zijner voeten. — Ik weet en gevoel het, dat mijne redenen u niet aangenaam kunnen zijn, en zoude altijd de gelegenheid ontweken hebben om het u zoo openbaar in schrift te zeggen , niet om mijnent wil maar om uwent wil , omdat de verwerping dezer woorden . in den naam des Heeren tot u gebracht, u zwaar zal vallen, en ook omdat ik diegenen haat, die van alles bij u gaarne gebruik maken, om een steen

Sluiten