Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wen, kwamen die woorden mij voor den geest: „Zouden de bruilofskinderen treuren terwijl de bruidegom bij ben is?" Ik zeide: „neen, Heere," en zette den hoed uit de oogen, maar niet wetende waar zulks van daan kwam, bleef ik dezelfde; die week was een benauwde week voor mij. Mijn gebed was gedurig om de zwaarte mijner zonden toch te mogen inzien. Het gebeurde daarna, dat ik in een schouwtje buiten aan een schip bezig zijnde te werken, onderwijl op eens de groote mijner zoüden leerde inzien, zoodat ze mij toeschenen te reiken van de aarde tot den hemel: ik zag naar het boord van het schouwtje en meende dat ik wegzonk. Ik bad naderhand niet meer om inzicht in de zwaarte mijner zonden. In die week gebeurde het mij dat ik op een dijk ging en werd bepaald bij de langmoedigheid Gods, zoodat ik stil bleef staan op de weg en zeide: „O, God! hoe hebt gij mij nog kunnen dragen, zoo een monster der zonde!" Ik was verwonderd dat God mij al niet voorlang in de verdoemenis had doen storten, ik zoude het hebben moeten billijken al wilde hij mij ook voor eeuwig verstooten. Een dag heb ik gehad , dien vergeet ik nooit, toen was het den ganschen dag niet anders dan of de hel voor mij geopend was en mij dacht ik zag den satan klaar staan, om er mij zoo in te rukken. Te gelijk werd ik bepaald bij de kortstondigheid van mijn leven dat God zoo mijn adem kon wegnemen, zoodat ik dacht zoo in het verderf te storten. Des avonds maakte mij de duivel wijs, ik zou 's nachts sterven en dan eeuwig verloren gaan; ik geloofde dat zoo

Sluiten