Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vast dat ik mijn gereedschap niet opbergde, maar het alles liet liggen, zeggende bij mij zeiven: „ik kom toch. niet weer bij het werk." Toen ik te huis gekomen was, ging ik met het hoofd tegen den muur zitten als een verslagen mensch. Mijn vader, te huis komende van het werk, vroeg mij: „Hebt gij nog geen vuur aan en geen water over?" Ik antwoordde : „van dezen nacht moet ik sterven en nu is het niet noodig dat ik voor de laatste maal nog wat eet."

Mijn vader werd bedroefd, en ik zeide: „O, vader! schrei over mij niet maar over u zeiven, want als gij niet bekeerd wordt, gaat gij zoowel verloren als ik." Mijn vader zeide: „ik geloof niet dat zoo de weg is; wat zegt de Heere Jezus tegen Thomas ? Omdat gij gezien hebt, zoo hebt gij geloofd, maar zalig zijn ze, die niet zullen gezien hebben, en nogtans zullen geloofd hebben; ik geloof dat voor zulke mensch en de Heere Jezus iti de' wereld gekomen is."

Ik geraakte door deze redenen van mijn vader wat tot bedaren, en mijne benauwdheid verminderde Eenige oogenblikken later kwam mijn broeder aan ons huis, tot wien mijn vader zeide: „nu is het mis met onzen Egbert; nu zegt hij dat hij van nacht moet sterven en eeuwig verloren gaan." Waarop mijn broeder zeide: „Toen Oom en Tante bekeerd zijn als zij dan in zulke bestrijding waren, sloegen zij den bijbel wel eens open en dat daar dan voorkwam, geloofden zij." De taal eens blinden; alsof de mensch van zich zeiven kon gelooven! Evenwel was het voor mij een middel. Ik zeide: „dat zal ik ook deen en dat

Sluiten