Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hij vroeg mij of ik volstrekt geen werk had met den Heere Jezus. Ik gaf hem ten antwoord, dat ik dit zoo niet zeggen kon; dat ik wel wist, dat ik den Heere Jezus noodig had, maar dat ik zoo maar niet tot Hem komen kon en maar veel in mijne schuld voor God stond. Hij sprak zeer tot mijne bemoediging. Een uit hen zeide: „ja men spreekt veel van het geloof; wat is het geloof? Eene gave Gods, en eene werkzame daad der ziel, die God door Zijnen Heiligen Geest in het hart werkt, en dan werkt de ziel door het geloof." Dat zonk mij zoo diep in het hart dat ik uitriep : „o God ! mocht Gij mij dat geloof ook schenken! Och dat ik maar eens gelooven kon dat Gij de hand van genade aan mijne ziel gelegd had." Hierom bleef ik den ganschen avond zuchtende. Verder spraken zij samen over de vlugheid van de vromen na de opstanding, dat zij aan de engelen in vlugheid gelijk zijn zouden, en op een wenk zoo uit den hemel op de verheerlijkte aarde zouden zijn. Ik kan mij nog voorstellen hoe ik onder dit gesprek gesteld was. Ik zag die menschen aan of zij engelen uit den hemel waren en hield hen voor volmaakt heilig. Dat geloofde ik; ook gevoelde ik een liefde tot hen, die ik niet uitspreken kon. Toen wij naar huis gingen vroeg mij mijn broeder hoe ik het daar gehad had. Ik zeide: broeder, ik ben er met genoegen geweest en heb die menschen zoo lief gekregen, dat ik hen gaarne een voor een naar huis zou hebben willen dragen, als zij het hadden gewild, ik heb nooit mijn eigen vader en moeder zoo lief gehad als ik die menschen van avond gekregen heb." Mijn broe-

Sluiten