Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der stemde mij dat toe; toch kende hij dat niet, hij was wel overreed, maar ik durf niet gelooven dat hij bekeerd was (zijn lot is nu al eeuwig beslist). Ik kwam in huis en viel op mijne knieën bij de tafel op den vloer neder, en riep niet anders dan: „o God, uw volk heeft gezegd dat het geloof eene gave Gods is en dat Gij het door uwen Geest in de ziel moet werken, och schenk mij dan dat geloof eens; och kon ik maar, gelooven dat gij de hand van genade aan mij gelegd hebt, uw volk gelooft liet van mij, maar zelf kan ik het niet gelooven. En wat zal het mij dan helpen." Daar lag ik wel een half uur en riep aanhoudend om het geloof, maar bleef dezelfde. Eindelijk stond ik op met een zucht: „och Heere, er is voor mij toch geen raad, ik moet toch omkomen." Ik ging voor het bed zitten. Toen was het alsof er eene stem uit den hemel tot mij in mijn hart kwam:

Open uwen mond,

Eisch van mij vrijmoedig;

Op mijn trouwerbond,

Al wat u ontbreekt,

Schenk ik, zoo gij 't smeekt,

Mild en overvloedig.

Ik viel op den vloer op mijne knieën neder en riep in verwondering uit: „o God, dat is Uw Woord; en dat spreekt Gij door Uwen Geest tot mijne ziel. Maar wat zal ik smeeken? Leer mij dan door Uwen Geest wat mij ontbreekt. Och Heere, schenk mij het voorrecht eens te mogen gelooven dat Gij de hand van genade aan mij ge-

Sluiten