Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dige constellatie heeft zich niet voorgedaan onder het KabinetIvuyper. Men kan daaruit geen conclusies trekken. En wat de houding aangaat, door de linkerzijde ten aanzien van de Schoolwet aangenomen, de geachte afgevaardigde houde het mij ten goede, het was een inconsequentie van de linkerzijde, dat de houding bij de Schoolwet-Kuyper niet overeenstemde met de houding van een deel van de linkerzijde bij de Schoolwet-Mackay. Die inconsequentie wil ik heden aan de linkerzijde niet verwijten, maar zij komt niet voor rekening van het Kabinet-Kuyper. Het is mogelijk, dat men zich tegenover het Kabinet-Mackay wat welwillender gestemd voelde, maar dit doet tot het wezen va.n de zaak, tot den geest van dat Kabinet en de politieke positie niet af.

De heer De Savörnin Lohman: Men was even onwelwillend tegenover het Kabinet-Mackay, maar dat hebben de heeren vergeten.

De heer Heemskerk, Minister van Binnenlandsche Zaken: De geachte afgevaardigde uit G-oes merkt op, dat men tegenover het Kabinet-Mackay even onwelwillend was. Dan zijn dus de redenen, die een belangrijk deel van de linkerzijde hebben bewogen om met de Schoolwet-Mackay mede te gaan, maar niet met die van het Ministerie-Kuypcr, redenen van politieken aard, maar waar die beide wetten volkomen in beginsel melj elkaar overeenstemden, en waar er geen principieel verschil daartusschen was, blijf ik bij de meening', dat die inconsequentie geheel en al voor rekening'van de linkerzijde komt, en dat ik mij dus daarmede niet heb bezig te houden.

Mijnheer de Voorzitter, dat het mijne bedoeling zou zijn geweest een andere politieke constellatie in het leven te roepen en — deze discussie schijnt ër blijk van te geven — dat de hoop bestaat of bestond op een houding van dit Kabinet, waardoor conservatieven tegenover vooruitstrevenden komen te staan, is juist hetgeen ik afkeur. Ik verbaas mij, hoe het in iemand heeft kunnen opkomen, dat dit mijne bedoeling was. Want ik heb het met' den meest mogelijken nadruk in het openbaar steeds uitgesproken, dat ik dat niet wenschte. Ik moet er verschooning voor vragen, dat ik mij zelf citeer.

Op 13 November 1907 („Handelingen" bladz. 378) is door mij het volgende gezegd.:

„Al denk ik het niet, het blijft toch mogelijk, dat plotseling de vereenigde linkerzijde opstaat en aan het Kabinet nieuwe politieke levenskracht tracht in te blazen.

..En ook als dat niet geschiedt, achter de periode van behandeling van eenige aangelegenheden met een door zijn abnormale politieke geaardheid tot de stelling van zaken-kabinet teruggedreven Kabinet ligt de politieke strijd, die als gevolg van de voorstellen tot Grondwetsherziening zal moeten worden gevoerd en liggen de diepere staatkundige en geestelijke vraagstukken van den tijd.

„Het is plicht daarvoor gereed te staan en wel naar mijn overtuiging, wat de rechterzijde betreft, vereenigd. Ik wensch geen verscherping der antithese, ik laat haar voor rekening van hen die aan het Christelijke geloofsbeginsel niet de heerschappij toekennen in staatkunde en recht; maar ik blijf als steeds overtuigd, dat zij die dat beginsel als het juiste erkennen, verplicht zijn, zooveel slechts mogelijk, zich te verstaan omtrent de te volgen politieke gedragslijn en vereenigd op te trekken. Geen incidenten en gevoeligheden, van welken aard ook, mogen scheuring brengen.

„In den boezem van iedere partij en tusschen de verschillende partijen der rechterzijde onderling behoort ieder den ander zijn recht te laten, maar de eendracht mag niet worden verstoord. De nood

Sluiten