Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zin, de opvoeding eene kunst en groote staatslieden kunstenaars genoemd hebben, en dat het ten volle gerechtvaardigd is, het leven eene kunst, en hem, die zijn leven in schoone en vrije zedelijkheid ontwikkelt, een kunstenaar te noemen. En daar de Vrijmetselarij dit niet eerst van nu af doet, maar van den beginne af gedaan heeft, bevinden wij ons wederom in harmonie met de menschelijke natuur.

Wie nu nog vraagt, op welke wijze wij tot die kunst opvoeden, hem is de geheele inhoud dezer beschouwing en haar doel onbekend gebleven. Of hij begrijpt thans , waarom het inwendige onzer werkplaatsen den vorm heeft eens Tempels, en tegelijkertijd een afbeeldsel van het Heelal, en waarom onze werktuigen aan de bank des kunstenaars zijn ontleend. In een onvermoeiden arbeid aan zich zeiven en aan zijn medemenschen, en met hen, oefent de Vrijmetselaar zich om een oprecht, trouw burger van zijn vaderland en de plaats zijner inwoning, een liefdevol, opofferend lid zijns huisgezins, en een trouw arbeider in zijn beroep en betrekking te worden; hij oefent zich, om al wat waar, schoon en goed is, niet alleen te doen, maar ook om, zelf scheppende, het leven edeler en schooner te maken, opdat dit op zich zelf reeds verblijde, verkwikke, verheffe en levend make als eene kunst. De vrijmetselaar tracht zijn zedelijke kracht zoo te oefenen en tot eene vlugge vaardigheid te verheffen, dat hij in alle toestanden en omstandigheden des levens ; zijn innerlijke aandrift volgende, het goede en het ware

Sluiten