Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijne heilige almacht openbaart, deze leer berust in den grond op Oud-Testamentische voorstellingen en uitspraken, is iri strijd met het Evangelie, dat deze beperking in den heilswil van God uitsluit door de verkondiging van de Vaderliefde Gods. Wanneer men in de weinige regels hierboven den naam „God" verandert in dien van „Vader", dan zal men reeds zien hoe wonderlijk de leer der voorbeschikking klinkt. Maar bovendien — wanneer God Zijn liefde beperkt, hoe kan Hij dan van ons een liefde vragen voor Zich Zeiven en voor den naaste ? Zou Hij voor ons nog het hoogste zedelijk ideaal zijn ? Er is geen enkele reden om deze leer, die het gevaar met zich medebrengt van hoogmoed en zedelijke 'verslapping voor wie zich uitverkoren wanen, van hopeWOsKèid voor wie meent verworpen te zijn, van twijfel en onzekerheid voor alle ernstige menschen, aan te nemen. Er zouden trouwens ook uit Paulus' brieven verschillende plaatsen te noemen zijn, die geheel andere voorstellingen wekken omtrent Gods bedoeling ten opzichte van de menschheid. Wij mogen aannemen, dat woorden als deze van Tertullianus : „De menschelijke ziel is van nature een Christinne" en van Augustinus : „Gij zelf wekt ons op tot Uwen lof ; want Gij hebt ons tot U gemaakt en ons hart is onrustig in ons tot het rust gevonden heeft in U," een juister blik geven op de verhouding van God tot de menschelijke ziel. Het goddelijk levensbeginsel is iederen mensch geschonken door zijnen Schepper. Maar „die kiem is den mensch niet zóó gegeven, dat zij nu zijn eigendom zou zijn, afgescheiden van God, zoodat zij zich zelve nu maar ontwikkelen kan. Evenals de levenskiem van de graankorrel zich slechts ontwikkelt door den invloed van de lucht, de warmte, de vochtigheid en de vruchtbare aarde, waaruit zij alle stof, die zij noodig heeft bij haren groei tot spruit en halm en aar, in zich opnemen moet; even zoo is de goddelijke levenskiem in den mensch in haar ontstaan en bestaan, in hare ontkieming en haren

Sluiten