Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

groei afhankelijk van God, en God zelf is als het ware de bodem, waarin zij geworteld moet zijn om te groeien ; uit haar leven in God moet zij alles ontvangen, wat haar tot ontwikkeling kan brengen."1) Wanneer daarom de mensch dit leven met God verliest — en wij zagen hoevele oorzaken daartoe kunnen medewerken — dan kan de toestand intreden, dat hij niet meer gelooven kan : niet dus, omdat God hem verliet, maar omdat hij God verliet. Wij moeten aannemen, dat de aanleg tot geloof bij alle menschen niet even groot is ; wij moeten aannemen, dat het behouden van het geloof voor den een moeielijker is dan voor den ander ; wij moeten aannemen, dat waar sommigen komen tot groot geloof, anderen niet verder kunnen komen dan tot klein geloof ; wat de een in slaap ontvangt zal de ander zich slechts na harden strijd kunnen veroveren — maar geen enkel mensch behoeft een ongeloovige te zijn of te worden. Want wij zijn, naar 't aloude woord, van Gods geslacht.

Tot de positief-ongeloovigen behooren zij, die hun geloof niet kunnen handhaven bij al de dikwijls verbijsterende ervaringen, welke zij opdoen in leven en wereld. De zonde in al haar verschrikkelijke openbaringen ontrooft hun het geloof in een almachtig en heilig opperwezen. Het lijden schijnt hun onvereenigbaar met het vertrouwen in een liefdevollen Hemelschen Vader. Een tijd, als wij thans doorleven, maakt voor velen het geloof uiterst moeilijk, dikwijls onmogelijk.

Wij komen hier tot de vraag naar een theodicee

I) Dr. S. Hoekstra, Het geloof des harten.

Sluiten