Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van Hoekstra1) „Heeft het kategorische gebod der zedenwet „Gij zult !" geenen zin als daaraan niet een „Gij kunt !" beantwoordt, dan ook is het een eisch der zedelijke bewustheid, dat de wereldorde aan dit „Gij zult!" geenszins onoverkomelijke bezwaren in den weg stelt." Welnu — het is het geloof, dat op het gebod „Gij zult !" dat andere „Gij kunt !" laat volgen. Want het geloof kent de gemeenschap met God en kent daardoor de ervaring, dat de mensch niet aangewezen is op de eigen kracht alléén, maar dat hij bouwen kan op de hulp van den Almachtige in allen nood en strijd. Het is de Hemelsche Vader, die hem roept. En zooals de dienstknecht, die aan zijn heer verknocht is, het werk met opgewektheid vervult, omdat hij 't doet voor zijn heer, dien hij vereert; zooals het kind het gebod van zijn ouders, die hij liefheeft, volbrengt zonder morren en tegenstreven, omdat liefde en dankbaarheid hem sterk maken ; zóó wordt voor den geloovige het harde en meedoogenlooze „Gij zult", dat hem wordt toegeroepen door zijn geweten, de roepstem van zijn God, Wien hij zijne dankbaarheid bewijzen kan door getrouw de plichten te vervullen, die van hem gevraagd worden. En er is geen edeler, geen onbaatzuchtiger maar ook geen krachtiger drijfveer dan juist dankbaarheid. „Hulpe van den Heer verkregen hebbende" wordt het „ik moet" als vanzelf : „Het is mijn spijze, dat ik den wil mijns Vaders doe." 2) Ik mag nog op meer wijzen in het pleit voor de waarde van den godsdienst. Ieder ernstig mensch komt te staan voor de vragen ! Vanwaar ? Waartoe ? Waarheen ? Vanwaar kom ik ? Waartoe ben ik hier op de wereld ? Waarheen ga ik ? Zelfs zij, die het zich met de eerste en de laatste vraag niet druk maken, zullen zich aan de vraag ! Waartoe leef ik, werk ik, strijd ik, lijd ik ? niet kunnen onttrekken. Natuur-

1) Wijsgeerigc Godsdienstleer I, 43.

2) Joh. 4 : 34.

Sluiten