Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eindweegs tegemoet te gaan. Het is tenslotte dezelfde werkheiligheid als bij den schrijver van het pleidooi, maar van een anderen snit.

Hier komt de fout van de scholastieke theologie tot openbaring, die zelfs doorgaat in onze dagen het godsdienstige en kerkelijke leven onder ons grondig te verwoesten. Zij maakt los de banden, waarin God in zijn heilige roeping ons bindt. Zij heeft — vrucht van de hulp, die zij van een heidensche wijsbegeerte verwacht heeft — den eigen aard van het godsdienstige leven verloochend en getracht dit gelijk te schakelen met het natuurlijke leven, dat wij in deze stoffelijke wereld leven, persende het godsdienstig leven in schema's en begrippen, die aan het natuurlijke leven ontleend waren. Laat ik thans alleen maar wijzen op het begrip onmacht. De onmacht, waarvan de Heid. Cat. belijdt, dat wij onbekwaam zijn tot eenig goed en geneigd tot alle kwaad, is gansch iets anders dan de onmacht, die een plaats heeft in het natuurlijke leven. De eerste, omdat zij op godsdienstig terrein ligt, is een z e d e 1 ij kreligieus kwaad, en moet daarmede dus onmiddellijk als zonde gezien worden ; versta wèl, niet alleen als vrucht

der zonde, maar als zonde, wijl de onmacht des menschen hier niet anders beduidt dan de heerschende neiging tot zonde. De onmacht, die wij in het natuurlijke leven overal tegenkomen, is niet van zedelijkgodsdienstigen aard ; een zieke kan onbekwaam zijn om van het bed op te staan, maar niemand rekent hem dit tot schuld.

Tengevolge van deze fout van de scholastieke theologie begon men meer en meer de onmacht des menschen (ten goede als een natuurlijk kwaad te beschouwen, dat hij niet verhelpen kan, terwijl tevens daardoor de roeping Gods tot bekeering en geloof haar klem op de consciëntie verloor en krachteloos werd gemaakt. Men erkende wel, dat God riep, maar men kon immers die roepstem niet opvolgen. Daarmede is feitelijk de roeping terzijde gelegd. En nu wacht men maar, of God het nog eens geven mag, waarbij men ook dit geven weer in natuurlijken zin opvat en voorbij ziet, dat God het geeft en gegeven heeft in de belofte des evangelies, die men verwerpt en blijft verwerpen door ongeloof. Men doet zonde tot zonde en meent nochtans hiertoe gerechtigd te zijn. Men verhardt zich en zegt, dat men op den Heere wacht; men wederstaat den Geest en zegt: als een

Sluiten