Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

V. De fout van de scholastiek.

De Roomsche theologie wordt geheel en al beheerscht door de wijsbegeerte van Aristoteles, in het bizonder zooals die wijsbegeerte in de Middeleeuwen door Thomas van Aquino nader is uitgewerkt.

Toen de reformatoren van de Roomsche theologie terugkeerden tot de Schrift, hebben zij ook den bril van Aristoteles, waardoor zij tot nu toe alle theologische vraagstukken hadden bekeken, afgelegd om de verschillende vragen te bezien in het licht van Gods Woord. Zij zijn zich zelf daarvan zeer goed bewust geweest, al zeg ik daarmede nog niet, dat zij zich in alles aan den greep van dezen heidenschen wijsgeer hebben weten te onttrekken. Luther aarzelt zelfs niet om te zeggen, dat, toen Aristoteles zijn intrede in de Kerk heeft gedaan, van toen af het evangelie is verduisterd geworden, want, zoo voegt hij er aan toe, Aristoteles wist niets van het kruis, en hoe kan men den zin van het evangelie verstaan, als men de beteekenis van het kruis niet heeft leeren kennen ?

Langs dezen weg kwam in den reformatietijd de leer van de rechtvaardigmaking uit het geloof weer in eere, een leer, door Rome met de uiterste

Viarrin Aktio-hpiri bestreden. wiil deze leer volgens

het systeem van Aristoteles de meest ongerijmde zaak ter wereld is.

Het is te verstaan, dat in een zoo opgewekt godsdienstigen tijd als de reformatie, de wijsbegeerte op den achtergrond kwam te staan ; te verklaren is ook, wijl men in een geweldigen strijd gewikkeld was, dat men niet tot een reformatie van de wijsbegeerte is gekomen ; ik bedoel daarmede, dat men niet kwam tot een wijsbegeerte, die rekening hield met de gegevens van het ware christelijke geloof. Toch heeft zich dat een eeuw later reeds gewroken.

Na de reformatie begint in de wijsbegeerte een nieuwe periode. De bekende Cartesius luidt een nieuwen tijd in. Nu ontmoet al wat nieuw is, immer een geweldigen tegenstand. De gereformeerde theologen echter meenden in zijn wijsbegeerte beginselen te ontdekken, die hoogst verderfelijk waren en tot ondermijning van godsdienst en Kerk moesten leiden. Zij hebben hier niet geheel mis gezien. Echter om deze wijsbegeerte te bestrijden, moest men daar wat tegenover weten te zetten. Een eigen wijsbegeerte, gegrond op de beginselen der reformatie, had men niet. Zoo is men er toe gekomen om tot de wijsbegeerte van Aristoteles, die men beproefd achtte, niet alleen terug te keeren, maar deze wijsbegeerte ook meer en meer mee te laten

Sluiten