Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

r

om te denken aan een gansch bizondere openbaring, waardoor men in het vaste bezit van genade gekomen is. De Catechismus denkt echter aan de belofte des evangelies zooals die — en nu keer ik een oogenblik de zaak om — niet alleen mij maar ook anderen geschonken is.

En nu weet ik wel, dat daar de moeilijkheid ligt voor een zondaar, wiens geweten hem aanklaagt, dat hij tegen al de geboden Gods gezondigd heeft, om te gelooven, dat die belofte ook voor hem geldt, ja nog voor hem geldt, nadat hij zoo gezondigd heeft en ik weet ook wel, dat wij dat geloof in zulk een mensch niet te voorschijn kunnen roepen, maar als aan zulk een mensch getrouwelijk het evangelie gepredikt wordt en de belofte des evangelies hem wordt voorgelegd opdat hij die geloovig omhelze, dan weet ik ook, dat de H. Geest hem juist door die prediking des evangelies de vrijmoedigheid zal geven om Christus te omhelzen als zijn Heiland en Zaligmaker; en dat de H. Geest die vrijmoedigheid op zoodanige wijze in hem zal werken, dat hij weet, dat God zelf hem genade bewees.

Ten slotte willen wij nog even wijzen op de overeenstemming met het avondmaalsformulier, waarin de geloovigen vermaand worden, dat een iegelijk zijn hart onderzoeke, of hij ook deze gewisse belofte van God gelooft, dat hem al zijn zonden, alleen om het lijden en ster¬

ven van Christus vergeven zijn. Er wordt niet gevraagd, of men bepaalde bevindingen heeft gehad, maar eenvoudig, of men de belofte des evangelies gelooft. Dit is het geloof, dat aan alle geloofswerkzaamheid ten grondslag ligt. Sommigen meenen b.v., dat de Catechismus de kleinen vergeet, en vragen, of men het toevluchtnemend geloof bezit. Zij begrijpen niet, waar het hart der kwestie schuilt. Want ik kan niet tot Christus de toevlucht nemen, tenzij dat ik eerst(l) geloove, dat Hij mij tot een toevlucht gegeven i s. Zoo kan ik de vergeving der zonden in Christus niet geloovig aannemen, tenzij dat ik eerst geloove, dat deze vergeving mij in de belofte des evangelies geschonken wordt. De reformatoren vroegen dus naar dat geloof, dat aan alle geloofswerkzaamheid ten grondslag ligt en niet een geloof, dat vrucht is van een langen geloofsweg.

Dat sommige oude schrijvers de dingen nog zoo zagen, kan blijken uit „Evangelische heiligmaking" van Marshall, uitgegeven indertijd met een voorrede van Comrie. Helaas erkent hij, dat men in zijn dagen ook in Engeland en Schotland de reformatorische opvatting vrijwel algemeen kwijt was geraakt.

Sluiten