Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uitdrukking, de belofte des evangelies, niet anders beteekent dan het aanbod der genade. Dat men later de eerste uitdrukking voor de laatste heeft ingewisseld, bewijst, dat men de verbondsgedachte kwijt was geraakt. De belofte des evangelies veronderstelt de verbondsbetrekking, waarin God zich in zijn genade tot ons geplaatst heeft en waarin hij met zijn beloften tot ons komt. Van een aanbod des evangelies kan men daarentegen spreken, zonder dat zulk een betrekking daaraan ten grondslag behoeft te liggen. Deze uitdrukking speelt dan ook veel meer in de kaart van de menschen van den vrijen wil. Zij stellen het maar al te vaak voor, alsof God door het aanbod des evangelies zijn wil tot onze verlossing openbaart, maar nu moet nog blijken, of de mensch wel wil. Op deze gedachte is ook voor een groot deel het baptisme gebouwd, dat van geen verbond wil weten en dus ook niet van een verzegeling van de belofte des verbonds, tenzij de mensch getoond heeft gewillig te zijn om dit verbond met God aan te gaan.

Al wil ik de uitdrukking, het aanbod des evangelies, niet afkeuren, alsof daaraan niet een juisten zin zou kunnen worden toegekend, niettemin mogen we de uitdrukking van onzen Catechismus daarvoor niet prijsgeven, wijl in den grond der zaak toch een andere gedachtengang daaraan ten grondslag ligt. Immers vanuit de verbonds-

betrekking, zooals de Catechismus die ziet, kan men veel verder gaan, dan te zeggen, dat God ons in het evangelie zijn genade aanbiedt; de Catechismus zegt, dat God ons zijn genade geeft, ja, dat God ons zijn genade gegeven heeft. Hierdoor wordt ons Gods genade veel nader gebracht; hierdoor wordt tevens de schuld des menschen zooveel te zwaarder, als hij het bloed des verbonds, waardoor hij geheiligd was, onrein heeft geacht.

De groote beteekenis van deze verbondsbeschouwing wordt het duidelijkst, als we in aanraking komen met menschen, die zich in hun zorgeloosheid verontschuldigen met de opmerking, dat God hun geen genade heeft bewezen en dat zoolang als zij geen genade hebben ontvangen, zij ook geen ander leven kunnen leiden. Immers dan is aan te toonen, dat het een leugen is, dat God hun geen genade heeft bewezen. Hij heeft zich van den beginne aan in een betrekking van genade tot hen gesteld ; Hij heeft hun daarvan getuigenis gedaan in de beloften des verbonds; Hij heeft deze beloften, waarin Hij hun zijn genade heeft gegeven, door den doop aan hen verzegeld, zoodat zij als verachters van Gods genade zichzelf openbaren.

Eveneens is dat het geval, als wij in aanraking komen met den verslagene van geest, die vreest, dat God met hem niet meer te doen wil hebben.

Sluiten