Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De kinderdoop vordert wel de inwilliging van het verbond der genade, maar veronderstelt die niet. In de toediening van den doop is die inwilliging ook niet gesymboliseerd.

Het avondmaal veronderstelt echter die inwilliging wel. De avondmaalsganger doet zelfs van die inwilliging door zijn daad belijdenis. Zijn aannemen van het brood en den wijn beteekent het geloovig omhelzen van Christus in Zijn lijden en sterven. Wie dus zonder geloof avondmaal viert, volbrengt een daad, die geen zin heeft. Hij verschijnt in de gestalte van een discipel, terwijl hij in de werkelijkheid vreemd is aan den Heere. Hij zoekt in het brood, wat alleen in den Heere te vinden is; hij zoekt in zijn eigen daad en werk, wat alleen Gods genade ons geven kan.

Om deze reden moet dus de stelling, dat het avondmaal ook voor de onergerlijk onbegenadigden is, met beslistheid worden afgewezen. Ofschoon aan de andere zijde de stelling, dat het avondmaal alleen voor begenadigden is, voor verkeerde uitlegging vatbaar is. Daarom zeggen wij liever, dat zonder geloof geen avondmaal kan of mag worden gevierd.

In verband met die mogelijk verkeerde uitlegging willen wij er allen nadruk op leggen, dat de belofte des evangelies, die ons in het avondmaal verzegeld wordt, dezelfde onvoorwaard e 1 ij k e belofte is als ons in den doop wordt

verzegeld. Deze belofte kan alleen door het geloof worden aangenomen, maar zij wordt ons niet gegeven, omdat wij gelooven. In andere woorden uitgedrukt wil dat zeggen, dat een gekruisigde Christus, zooals Hij ons in het avondmaal verschijnt, alleen door het geloof kan worden omhelsd, maar Hij wordt ons niet gegeven, o md a t wij gelooven ; neen, Hij wordt ons enkel uit vrije genade geschonken.

Dat zoo weinigen onder ons avondmaal vieren, dat zelfs godvruchtigen bijwijlen hun heele leven verre van het avondmaal blijven, vindt voor een groot deel daarin zijn verklaring, dat men deze waarheid niet meer verstaat. Men ziet in het brood en den wijn, in de zoenofferande van Christus niet meer een gave van Gods vrije genade ; men ziet hier niet meer de verzegeling van de onvoorwaardelijke belofte des verbonds, d.i. dus die belofte, die ons als zondaren zonder eenige voorwaarde is geschonken. Van het geloof, de bekeering maakt men de voorwaarde, op grond waarvan men het lichaam en bloed des Heeren meent alleen te mogen aannemen. Ja soms gaat men nog verder. Dan erkent men niet eens meer, dat God ons in het avondmaal Zijn genade in Christus geeft. God bewijst genade op verborgene wijze en het avondmaal dient ten slotte alleen maar om voor de menschen te belijden, dat men een begenadigde is. Is het won-

Sluiten