Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de verplichting tot geloof. Uit kracht van deze verderfelijke dwaling, door dit te niet doen van het evangelie en de prediking des evangelies, achten tal van onze jonge menschen, dat zij volkomen vrij zijn aan Christus en dus ook aan de Kerk en het Avondmaal voorbij te gaan. Zelfs zien velen deze verachting van Christus, want dat is het toch in den grond der zaak, deze verachting van Zijn Kerk en inzettingen als een daad van vroomheid; zij meenen daardoor blijken te geven, dat zij het zwaar opnemen en er maar niet zoo lichtvaardig over heen loopen als de anderen, die zoo gemakkelijk kunnen gelooven.

Van dit zwaar opnemen spreekt de apostel in het tweede hoofdstuk van zijn brief aan de Gemeente te Colosse en hij laat ons daar zien, hoe dit het schijnkleed is, waarin een eigenwillige godsdienst altijd verschijnt om daardoor zich een goddelijk cachet te geven, maar in waarheid hebben we hier te doen met een looze vond om het eigengerechtige vleesch te sparen. Men doet alsof het een teeken van ernst ware, dat men geen belijdenis doet, maar heel deze houding heeft ten doel om onder een schijn van vroomheid zich van den eisch Gods tot bekeering af te maken.

Bekeert u en gelooft het Evangelie, zoo beveelt Jezus Zijn discipelen te prediken; welnu, men doet het Evangelie te niet om aan den eisch van

geloof zich te onttrekken en den eisch tot bekeering brengt men om hals door eens zwaarlijk te zuchten en te zeggen : het zal zoo gemakkelijk niet gaan.

Juist hierom is het noodig de dwaling in haar wortel aan te tasten en met grooten nadruk het Evangelie te prediken; in het bizonder moet onze jonge menschen de onvoorwaardelijke belofte des verbonds of des Evangelies worden voorgesteld en hen op het hart worden gebonden, hoe zij met een dure verplichting van God verplicht zijn om deze belofte met een hartelijk geloof te omhelzen en dezen God van genade van ganscher harte te vreezen en te dienen. Niet te gelooven is niet een kleine zonde ; het is de grootste van alle zonden ; het is juist de zonde, die ons buiten het eeuwige leven sluit, dat in Christus geopenbaard is. De verplichting tot geloof diende zoo op onze harten en de harten der jonge menschen gebonden te zijn, dat men zich schaamde om te erkennen, dat men niet gelooft en in onboetvaardigheid nog immer zijn weg wenscht te gaan.

Maar als men zoo tegen de dingen over staat, werpen velen tegen, kweekt men huichelaars ; de groote hoop loopt maar toe en belijdt te gelooven, terwijl zij er niets van verstaat.

Deze tegenwerping is zonder de minste beteekenis. Ten eerste, wijl de groote hoop, die thans

Sluiten