Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Scherper nog is de beschuldiging, die Schiller in één van zijn schoonste gedichten, ik bedoel zijn ode aan De Goden van Griekenland, uitbrengt tegen het christendom, hoewel hij dat niet met name noemt. De dichter vergelijkt namelijk onze tegenwoordige beschouwing van de natuur met die van de oude Grieken. Toen, zoo spreekt hij de grieksche Goden aan,

Toen gij nog de schoone aard regeerde.

Wezens uit 't bekoorlijk faablenland!

't Zalige geslacht u nog vereerde,

Vrolijk loopend aan uw zachten band;

Ach, toen uwe dienst nog lustig tierde,

Hoe gansch anders was 't toen als daarna,

Toen m' uw tempels nog met kransen sierde,

Verius Amathusia !

Toen was alles in de natuur rondom ons, ber<>'

7 O

en dal, bosch en stroom, bezield; een Godheid woonde daarin; 't was alles vol van betooverinff en leven. Maar nu — wat is onze beschomying van de natuur, als wij haar daarmee vergelijken? Zij is prozaïsch en koud! — Voor al die poëzie, wat hebben wij daarvoor in plaats? De doode wet der zwaartekracht! Zoo weeklaagt Schiller. Hij bedoelt niet, dat onze Avetenschap de natuur onttrokken heeft aan het gebied van de dichterlijke fantasie, 't Is geheel in zijn geest, wat Hoefmeister zegt: //Voor de godsdienstig-aesthetische beschouwing van de wereld blijven er Goden en //Halfgoden bestaan, ook als de waarheid slechts

Sluiten