Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heidensche volken hun ontwikkeling op aesthetisch gebied tot maatstaf kiezen. Wanneer wij die volken uitzonderen, die in de geschiedenis van de oude wereld volstrekt geen beteekenis gehad hebben: zou er dan wel één volk zijn dat wij uit een aesthetisch oogpunt niet zeer ver boven Israël moeten plaatsen? Geen enkele kunst is immers door dat volk met zoo goeden uitslag beoefend, dat het daarin toongever voor de andere volken der oudheid is geworden. Hun taal zelf moge rijk zijn in beeldspraak en aanschouwelijkheid van voorstelling zij mist de geschiktheid voor fijne en keurige verbinding van gedachten, en vormt een scherp kontrast met de netheid en bepaaldheid, die de taal van de Romeinen, en met den overvloeijenden rijkdom, de kwistige sier en de buigzaamheid, die de schoone taal van de Grieken kenmerkt. Is nu de taal niet de meest natuurlijke maatstaf van de ontwikkeling der volken? Strekt alzoo Israëls taal niet ten bewijze, dat de aesthetische ontwikkeling, ja de geheele geestbeschaving van dit volk arm was? dat zij althans zeer ver beneden die van de Grieken of de Romeinen stond ? Inderdaad kan ook de hebreeuwsche literatuur

1

voor zoo ver het proza betreft, op geen andere schoonheid roemen, dan die nog op kinderlijken trap staat, namelijk op een zekere jeugdige frischheid en naïveteit; maar voor een pragmatische geschiedbeschrijving zou zelfs de taal van Israël naauwelijks geschikt zijn; en waaraan

Sluiten