Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zettelijk konden weigeren om een dergelijk eerbewijs ook voor hun keizer te brengen. Ze werden er dan ook genoeg op gewezen, dat ze toch redelijk moesten zijn, daar het immers niets anders gold dan een uiterlijk eerbewijs; maar ze waren er niet toe te bewegen dat te brengen. De volksmening was dan ook eenstemmig van oordeel, dat dit niets anders van hen was dan verholen opstandigheid, of enkel halsstarrigheid en koppigheid. Dit zijn de uitdrukkingen, die dan ook in die oude processtukken herhaaldelijk voorkomen; maar het feit is, dat terwille van deze „halsstarrigheid" toentertijde duizenden christenen in de dood zijn gegaan, en misschien zouden velen dergenen, die hen thans als heiligen vereren, hen in die dagen voor dwaze dwepers hebben gescholden.

Voor wie iets van het leven kent, spreekt het vanzelf, dat het antagonisme niet tot één kant beperkt bleef, maar ook aan de andere kant van jaar tot jaar groter werd. De eerste christenen gaven wel geen strijdschriften uit, waarin het staatsgezag openlijk werd aangetast, (dat zal nooit énig christen liggen) maar onder elkander gaven ze wel blijk zich diep bewust te zijn van de démonische macht, die zich in dat gezag openbaarde. Ze duidden het aan als de macht van het ,,Beest", en spraken daarover in huiveringwekkende, visionaire bewoordingen, Openb. 13:

„En ik zag uit de (volkeren-)zee een Beest oprijzen;

het droeg tien hoornen en zeven koppen,

en op zijn hoornen tien diademen,

en op zijn koppen lasterlijke namen.

En de hele aarde ging verbaasd achter het Beest aan,

en zij aanbaden het Beest en zeiden:

Wie is aan het Beest gelijk,

en wie kan de strijd tegen hem aanbinden?

Sluiten