Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„O, God, waarom verstoot Gij ons in eeuwigheid,

waarom rookt Uw toorn tegen de schapen Uwe weide?

Gij zijt het toch, die eertijds de wateren der zee hebt gekliefd,

die de koppen des Leviatans hebt verbrijzeld.

Geef dan nu aan het wild gediert'

de ziel Uwer tortelduive niet over!

Aanschouw het verbond,

want de duistere plaatsen des lands

zijn vol woningen van geweld."

Maar na dergelijke klachten te hebben aangehoord, keren de christenen van de „tamme" burgerstand heel rustig terug naar hun eigen woningen en drinken daar heel genoeglijk hun zondagse kopje koffie.

Daar weerklinken jubelzangen van een dicht ophanden zijnde wereldverlossing:

„En ik hoorde een geluid als van een grote schare, en als het ruisen van vele wateren, en zij riepen:

Hallelujah!

Want koning wordt nü de Heer, onze God, — koning van het heelal!

Weest blijde en juicht!

Geeft Hem de ere!

Want de bruiloft van het Lam is aangebroken, en zijn bruid heeft zich toegerust.

Zalig is hij, die deel heeft aan de bruiloft des Lams!"

Maar in der waarheid interesseert het vooruitzicht, dat een prins gaat trouwen met een prinses, hun vrij wat meer dan het vooruitzicht, dat Christus gaat trouwen met de aarde.

Daar weerklinken tonen van donkere dreiging:

„Nu dan, gij koningen, handelt verstandig Laat u gezeggen, gij richters der aarde!

Dient den Christus met vrees, kust bevend zijn voeten, opdat gij niet te gronde gaat!"

Maar de eschatologische spanning van deze woorden is allang voorbij; en als de predikant, die 's zondags

Sluiten